*

 

Vignet

Germ Kemper − 16/06/04, 00:00

Intensief krantlezen is voor mij vanzelfsprekend. Des te merkwaardiger is het om vast te stellen dat ik met regelmaat iets heb gemist. Vele jaren geleden trof het mij bij de begrippen 'glasnost' en 'perestrojka'. Je kon beschouwingen lezen over 'glasnost' maar niemand legde uit waar het over ging en wat het betekende. Het was alsof ik op een onbewoond eiland had gezeten.

'Poldermodel' was ook zoiets. Iemand moet die term hebben bedacht, anderen moeten zich meteen hebben gerealiseerd dat dat een handzame titel was voor een ingewikkeld maatschappelijk complex, en deze arme krantenlezer heeft er jaren over moeten doen om een beeld te krijgen van het hoe en wat. Afgerond is de studie nog steeds niet.

Het is daarom een verdienste van Hans Dijkstal dat het vignet snel tot leven is gekomen. Ik was mij van het bestaan niet bewust, laat staan van de inhoud, toen hij dat vignet met de jodenster vergeleek. De gelegenheid werd gelukkig snel aangegrepen om uit te leggen waar het om ging. Het heeft iets met een indeling van bevolkingsgroepen te maken aan de hand van hun mate van inburgering in de samenleving. Dat is handig om beleid te bedenken, 'meten is weten', je moet toch ergens beginnen, de bedoeling is nog niet gans duidelijk maar de bedenkers hebben het beste met iedereen voor.

Het lijkt dus het meest op de kleuren die men van rijkswege aan de intensiteit van terroristische dreiging wil geven. Wat ik als burger moet doen bij 'fase rood' weet ik niet, maar het gegeven dat er überhaupt een indeling is draagt bij aan het gevoel dat men de zaak in een ijzeren greep heeft.

De invoering van de jodenster maakte onderdeel uit van een registratiesysteem, bedoeld om een classificatie van bevolkingsgroepen uit te voeren. In de kern ging het om een doorbreking van de gedachte dat alle burgers gelijk worden behandeld. In die zin valt wel degelijk een vergelijking te trekken met het vignet al is duidelijk dat het vignet niet (althans niet op initiatief van de overheid, sprak hij voorzichtig) aan individuen wordt uitgedeeld en niet behoeft te worden getoond.

Waarom wordt iedereen, minister Verdonk incluis, dan zo boos en waarom wordt Dijkstal rancuneus genoemd, in plaats van dat nu eens goed wordt uitgelegd wat er met die etikettering wél wordt bedoeld en hoe buitengewoon tactvol ermee om zal worden gegaan? Daar valt weinig anders bij te bedenken dan dat het indelen van burgers in aparte groepen inderdaad een moeilijk te plaatsen inbreuk op het gelijkheidsprincipe is en de voorstanders hun stukken nog niet goed op een rij hebben. Misschien is het goed verdedigbaar maar de theoretische onderbouwing ontbreekt.

De boosheid van de minister, die al eerder struikelde over de 'deportaties' van Pronk, had achterwege moeten blijven. Het ministerschap is een nare functie, omdat de democratie gebaat is bij een continu en liefst heftig debat. Opinies over het beleid moeten alle aandacht krijgen en daarvoor is een sterke prikkel vereist, in de vorm van shockerende en verwarring zaaiende uitlatingen. In wezen mag daarom alles, voor zover het gaat om dat beleid.

De enige grens die in redelijkheid te trekken valt, is dat de persoonlijke integriteit van een minister of parlementariër en zijn privacy niet zonder noodzaak en goede grond in de discussie worden betrokken, maar een minister als symbool van beleid mag met de grond gelijk worden gemaakt. Wie zich overschreeuwt krijgt van volwassen staatsburgers op den duur vanzelf ongelijk en als die gedachte ál te utopisch is, kan de democratie beter worden afgeschaft.

De Tweede Wereldoorlog en de in diezelfde tijd uitgevoerde genocide zijn zowat onze laatste taboes. Je mag een instituut 'bloedraad' of 'inquisitie' noemen of iemand met grootheidswaan als Napoleon aanduiden, want dat gaat om een ver verleden. Dat is het enige bezwaar tegen de uitlatingen van Dijkstal. Hij heeft de kracht van het taboe onderschat zodat zijn boodschap niet goed over is gekomen.

mailIcon print |