Dat met name oudere werknemers en gepensioneerden deel uitmaken van de besturen van pensioenfondsen is niet erg. Een bestuur is geen lobbyclub, het hoort zich in te zetten voor alle belangengroepen. Jong, oud, man en vrouw.
Twee CDJA-jongeren, Martijn de Haas en Ronald van Bruchem, pleiten voor een jongerenplek in het bestuur van pensioenfondsen (Podium, 14 juli). Dit is geen goed voorstel. Besturen is namelijk iets anders dan lobbyen voor specifieke belangen. Bovendien is het voorstel in strijd met de Pensioenwet. Niet het bestuur, maar de deelnemersraad is de plek voor 'belangengroepen'.
Het is goed dat jongeren zich met pensioenen en pensioenfondsen bezighouden. Veranderingen in de pensioenregeling raken jongeren net zoals ouderen, al voelen zij het misschien nu nog niet. Als ouderen daarom in de besturen mogen, zouden jongeren voor het evenwicht ook een plek moeten krijgen. Toch kleven er bezwaren aan het voorstel van de CDJA'ers.
Allereerst is, anders dan de schrijvers suggereren, het pensioenfondsbestuur niet de plek waar de pensioenregeling wordt bepaald. Dat gebeurt in het cao-overleg. Wanneer in een bedrijf of sector een eindloonregeling wordt gewijzigd in een middenloonregeling, wordt dat vastgesteld in de cao. Dat is geen besluit van het pensioenfondsbestuur, maar van de partijen aan de cao-tafel.
Daarnaast gaan de schrijvers voorbij aan het feit dat bestuurders van pensioenfondsen er niet zitten voor specifieke belangen. Dat staat ook in de Pensioenwet: 'Pensioenfondsbestuurders dienen de belangen van álle belanghebbenden zo goed mogelijk te behartigen'. Dat geldt voor werknemers, inclusief degenen die zijn overgestapt naar een ander bedrijf en die voor het pensioenfonds als 'slapers' te boek staan, en voor gepensioneerden.
Ook is het veel te eenvoudig om te doen alsof er maar twee belangengroepen zijn: gepensioneerden en jonge werknemers. Er zijn jongere en oudere werknemers, vrouwelijke en mannelijke, getrouwde, samenwonende en alleenstaande werknemers. Op al deze terreinen kunnen belangentegenstellingen bestaan. Natuurlijk is het consequent als al deze groepen een plek in het pensioenfondsbestuur zouden krijgen. Maar daarbij horen zij wel de wettelijke opdracht te krijgen om zich volledig in te zetten voor het belang van álle belanghebbenden.
Het CNV is nooit voorstander geweest van het opnemen van ouderen in besturen van pensioenfondsen. Om de betrokkenheid van iedere belanghebbende te vergroten, is het noodzakelijk dat de deelnemersraad -zeg maar de medezeggenschapsraad van het pensioenfonds- een goede afspiegeling vormt van de verschillende belangengroepen. Zo kunnen gepensioneerden, jongere werknemers, vrouwen, alleenstaanden en wie dan ook, meepraten over de ontwikkeling van het pensioenfonds. Dat voorkomt ook dat oneigenlijke zaken op de agenda komen, iets wat zeker gebeurt als specifieke groepen een bestuurszetel krijgen. Het bestuur is geen parlement. Het bestuur moet daarom overgelaten worden aan hen die de pensioenpremie afdragen: vertegenwoordigers van werkgevers en werknemers.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.