Lachen om iets gruwelijks mag natuurlijk niet, maar soms is het de beste oplossing. Collega H. komt er een heel eind mee, naar zij beweerde tijdens een fietstochtje op Koninginnedag.
Zo herinnert zij zich een krantenbericht uit maart dat zij nog letterlijk kan citeren: ,,De twee zelfmoordterroristen die zich dinsdag in een vrijmetselaarsloge in Istanbul lieten ontploffen, waren amateurs.” Commentaar van H.: ,,Een prof zou natuurlijk heel anders uiteenspatten.”
Of neem deze belediging onder kannibalen op Paaseiland. Het is inmiddels duidelijk geworden dat de bewoners daar in zeker historisch stadium mensenvlees aten. Ze hadden hun eiland vrijwel volledig ontbost. ,,En – vervolgt H. – toen de bomen eenmaal op waren raakten de dieren ook op en toen begonnen ze aan elkaar.” Wat riepen die mensen elkaar toe als ze wilden kwetsen? ,,Het vlees van je moeder zit nog tussen mijn tanden!”
In Ouderkerk mochten we de Joodse begraafplaats niet op. De beheerder was waarschijnlijk bang dat een delegatie van het stampende bierfeest in het dorp hier de rust zou komen verstoren. Jammer, want het is een van de mooiste kerkhoven in Nederland, dat elk jaar ergens in mei zijn hoogtepunt bereikt als het fluitekruid nog net niet gemaaid is.
Bij wijze van troostprijs op funerair gebied vonden we een ander kerkhof langs de Amstel, waar louter mid-vijftigers lagen begraven, zo leek het wel. Bijna twee derde van de begraafplaats werd ingenomen door mensen die tussen 1945 en 1955 waren geboren.
,,Ligt dat nou aan mij?”, vroeg ik H., ,,of zie ik hier vrijwel uitsluitend Beatle-fans liggen?”
Ze stelde mij gerust. ,,Het is net als met zwangerschap,” zei ze, ,,of als wanneer je een Ford Tombenegro hebt gekocht: je ziet overal zwangeren en Tombenegro's.”
Tombenegro's? Maar ik zag helemaal geen Tombenegro's. Er hipten jonge konijntjes rond, de seringen stonden in bloei.
Ze riep me bij een graf uit 2003, voor een mooie tekst. ,,Wat vind je van deze variant op 'voor altijd uit ons hart' – voor altijd in de grond?”
Wij lazen Kühl weht die Ewigkeit en wisten niet goed hoe het te vertalen. Kil wenkt de eeuwigheid? Koud schrijnt de eeuwigheid?
Er was ook een priestergraf. ,,Onder deze grafsteen – ligt een grafsteen – hij was priester”, citeerde ik, maar ik wist niet meer welke dichter. Op een bankje onder een uitbundige kastanje begonnen we over onze eigen doden.
H. had een inmiddels gestorven broer die priester was. Nee, geen grafsteen, integendeel. De jongen werd missionaris en vertrok naar Afrika.
Om de zoveel jaar kwam hij een paar maanden thuis, met verlof. Groot feest natuurlijk, die eerste keer, de held van het stadje. Hij hield een daverende bedelpreek voor zijn missiekindertjes, het schooltje, de nieuwe motorfiets voor de pater, het hospitaaltje in het oerwoud, het stenen kerkje dat al vorderde, afijn, de hele missiekalender uit die tijd. Tijdens zijn tweede verlof, een jaar of vijf later, was hij chagrijnig. Hij dronk. Nou ja, hij dronk niet alleen, hij dronk te veel. Op een avond vertelde hij H. zijn grote geheim: hij had een vrouw in Afrika. Zij was zwanger. ,,Kun je je mijn geluk voorstellen, ik word vader!”, had hij gezegd, wild en oncontroleerbaar huilend. Waar hij aan toe voegde: ,,Hoe kan zoiets moois tegelijkertijd zoiets verschrikkelijks zijn?” Hij dacht eraan uit te treden en terug te gaan naar haar en zijn aanstaande kind. Maar hij wilde voor geen geld dat zijn ouders er achter kwamen. Hij kon het ze niet aandoen, die enorme toren om te stoten waar zo velen aan meegebouwd hadden: de inzamelingen voor 'zijn zwartjes', de moeilijke financiering van zijn priesteropleiding, het onvergetelijke, drie dagen durende feest toen hij als neomist in de parochie was binnengehaald als de Glorievolle Zoon. Het was onmenselijk om dat alles door uittreden te vernietigen. Hij zat in een afschuwelijke val.
Toen kwam het bericht uit Afrika dat zijn vrouw bij de bevalling mét het kind was gestorven. Vanuit de wanhopige vreugde over zijn naderende vaderschap stortte hij vervolgens omlaag in een dof verdriet. Vol zelfhaat en afkeer voor zijn werk keerde hij toen terug naar Afrika. De onmogelijkheid om op menswaardige manier te ontsnappen aan de kerk vergiftigde zijn leven en hij dronk verder.
Hoe zijn laatste twee jaar daar warenwist H. niet, want hij schreef slechts af en toe korte afgebeten briefjes en bezwoer zijn zus hem nooit op te komen zoeken.
,,Dat deed me eigenlijk het meeste zeer, dat hij mij niet bij hem wilde laten komen, want ik denk steeds maar dat ik hem er uit had kunnen troosten. Dat ik hem min of meer ongeschonden een ander leven, buiten de Kerk, binnen had weten te leiden. Ik weet zeker dat mijn ouders ... ach, waar hebben we 't over?”
Twee jaar later was hij weer thuis. Maar nu een doodzieke man. Hij bleek longkanker te hebben. Zijn ouders wilden hem graag in huis nemen, maar hij weigerde om thuis te komen sterven. Hij was bang dat hij ijlend in doodsnood zijn geheim aan hen zou verraden. Hij had een ander verdriet voor hen gekozen, ze moesten hem zien wegkwijnen in een ziekenhuisbed.
Haar ouders zijn inmiddels ook dood en het geheim van haar broer rust voor altijd bij haar.
'Koeltjes wuift de eeuwigheid', besloot ze, terwijl ze opstond, en wij zwaaien huiverend terug.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.