Tjalling Halbertsma, politiek adviseur van de premier van Mongolië, probeert in een race tegen de klok christelijk-Chinese grafmonumenten te redden. Hij exposeert zijn vondsten in Leiden. ,,Ik blijf een buitenstaander.”
Kruisen geplant op boeddhistische lotusbloemen. De maan met een konijn erin die het elixer van onsterfelijkheid brouwt. Draken met vlammende klauwen waarin opnieuw kruisen staan. Onderzoeker Tjalling Halbertsma is gefascineerd door deze Chinese grafmonumenten. Hij exposeert de 'verloren lotuskruisen' sinds een week in het Rijksmuseum voor Volkenkunde in Leiden.
Halbertsma (1969) ziet de grafmonumenten als een ontmoeting tussen Oost en West. De sinoloog kwam via zijn Chinese consultancybureau in contact met de Mongoolse oppositieleider Enkhbayar. Halbertsma werd in 2000 zijn adviseur; Enkhbayar is nu premier.
Halbertsma: ,,Sommige mensen beschouwen de grafstenen als de getuigenis van een multiculturele, tolerante samenleving. Volgens mij is het puur pragmatisch, het is een manier van bruikleen, een uitdrukkingswijze van westerlingen die hun geloof naar China brachten.”
De vermenging van beelden verhelderde niet alleen, maar leverde ook verwarring op. Halbertsma denkt dat deze verwarring bijdroeg aan de ondergang van dit Chinees getinte christendom.
De eerste christenen kwamen omstreeks de 5de eeuw, na het Concilie van Efeze, naar China. Het waren leden van de Nestoriaanse Kerk, een genootschap dat door het Concilie uit de moederkerk werd gezet en naar het Oosten verbannen.
De nestorianen gingen snel ten onder, maar de Mongoliërs brachten het geloof omstreeks de 12de eeuw terug. Veel belangrijke mensen, zoals de moeder van de beroemde keizer Kublai Khan, waren christenen.
Het materiaal dat Halbertsma onderzoekt komt voornamelijk uit de 12de en 13de eeuw, de bloeitijd van de Mongoolse overheersing.
In de 14de eeuw verdreven de Chinezen de bezetters weer uit hun land. Ze hervatten de bouw van de Grote Muur, die aan invallen voor altijd een einde moest maken. Vanaf die tijd weerde men alles wat met de Mongoliërs te maken had, dus ook het christelijk geloof.
Halbertsma: ,,De meeste mensen kennen de nestorianen niet. Ze denken dat de christenen pas in de 16deeeuw, met de missies van de jezuïeten, in China kwamen.”
De mooiste steen die Halbertsma in Binnen-Mongolië vond, bevat drie schriften: Chinees, Syrisch en Uigur (een oude Chinese streektaal). Ook staan er symbolen op: een kruis met een lotusbloem, de zon en de maan waarin het taoïstische konijn is te zien dat het elixer van onsterfelijkheid brouwt.
Halbertsma: ,,We hebben de steen nog niet vertaald, maar de symbolen zijn even interessant als de teksten. Ik maak nu het source book voor de steen, ik orden de bronnen.” Eind dit jaar verschijnt Halbertsma's overzicht in een sinologisch tijdschrift, samen met een wrijfprent. ,,Dan kunnen deskundigen uitzoeken wat er precies opstaat.”
De steen is niet in het Leidse RijksdeVerdiepingprent. museum te zien, want Halbertsma's wrijfprent ligt nog in China. Hij wil nog een paar nieuwe, betere afdrukken maken.
De tentoonstelling 'De Verloren Lotuskruisen' (naar Halbertsma's gelijknamige boek uit 2002) bestaat uit fotografie en wrijfprenten. 'Fotografie'
valt weer in drie segmenten uiteen. Eerst wordt het Mongoolse landschap met zijn inwoners getoond. Er zijn ook foto's van de grafmonumenten in hun natuurlijke omgeving. Tweede thema is het gebruik van de stenen als bouwmateriaal van de boeren, derde thema is grafroof.
Halbertsma's gezicht betrekt als hij over grafroof spreekt. ,,De boeren hebben respect voor de graven, maar rovers die uit zijn op goud, munten en porselein niet. Het antiek dat in onze westerse winkels ligt, is met geweld uit het Oosten gestolen. Regelmatig sta ik in Mongolië bij lege graven. De schedels en de botten gooien de plunderaars gewoon naar buiten.”
Omdat steeds meer grafmonumenten onherstelbaar beschadigd worden, is Halbertsma's werk een race tegen de klok. Het documentatieproject wordt sinds 2003 gesteund door de aan de Universiteit Leiden verbonden Hulsewé-Stichting, die ook de tentoonstelling mogelijk maakte.
Het tweede deel van de Leidse expositie bestaat uit wrijfprenten, die Halbertsma sinds 2001 regelmatig maakt in Binnen-Mongolië. Het gebied valt onder de Volksrepubliek China en hoewel het formeel is afgesloten, kost het in de praktijk niet veel moeite om erbinnen te komen.
De eerste keer ging Halbertsma met legerkaarten uit de jaren dertig, waarop de grafmonumenten stonden aangegeven. De meeste stenen vond hij echter niet in het veld, maar bij boeren die ze gebruikten als fundament voor hun huizen.
Voor het maken van een wrijfprent reinigt de drukker eerst de steen en voelt of die op de juiste temperatuur is. Is de steen te koud, dan vloeit de inkt niet en droogt het papier slecht. Vervolgens brengt de drukker met een borstel een nat papier aan, waarover hij voorzichtig een inktkussentje slaat. De letters blijven wit, waardoor, in tegenstelling tot de westerse drukkunst, zowel steen als afdruk direct te lezen zijn.
Volgens Halbertsma is deze Chinese drukkunst veel ouder dan de westerse.
Op de expositie zijn, behalve inktkussens en borstels, vijf wrijfprenten te zien die het verhaal vertellen over de vermenging van het christendom met het taoïsme, boeddhisme en godsdiensten uit het Midden-Oosten. Alle wrijfprenten worden voor het eerst in Europa tentoongesteld.
Halbertsma ziet in de grafmonumenten een beeld van zijn eigen situatie. ,,De eerste tijd dat ik in Mongolië woonde, probeerde ik mij vooral aan te passen. Nu voel ik me meer een geinteresseerde buitenstaander. Dat ervaar ik als bevrijdend. Het kan onpraktisch zijn om elkaar steeds krampachtig proberen te vinden. Het kan ook helemaal mislopen. Elkaar niet vinden is jammer, maar niet altijd een probleem.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.