Paul Cliteur, sinds kort een zeer bekende Nederlander, is filosoof en jurist. Het is een gelukkige combinatie. De filosofie voedt hem met ideeën, het rechtsdenken leerde hem scherp te formuleren. Tel daarbij zijn buitengewone belezenheid en zijn bereidheid over de meest uiteenlopende kwesties in debat te gaan, en het zal duidelijk zijn dat we er in Nederland een waardevolle polemist bij hebben.
Het meest ambitieuze onderwerp dat hem de laatste tijd bezighoudt is de spanning tussen religie en moderniteit, in zijn ogen een verhouding tussen achterlijkheid en beschaving. Het contrast geeft hem de gelegenheid de islam onder vuur te nemen maar ook, en dat gebeurt aanzienlijk minder vaak, de waarde van de christelijke cultuur in twijfel te trekken.
Ik kies twee publicaties voor nadere inspectie: zijn bijdrage 'Socrates, niet Jezus' in Letter & Geest van vorige week en een artikel in het Civis Mundi Jaarboek 2003: 'Decadentie en vitaliteit van de Europese cultuur.' Zie ik het goed, dan wordt het kernthema in beide gevallen gevormd door een pleidooi voor erkenning van de superioriteit van de Griekse ethiek boven de christelijke. Ruimer geformuleerd: van een heidense boven een religieus gefundeerde beschaving. Wat Cliteur in het jaarboek 'revitalisering van de antieke deugdenleer' noemt, keert in Trouw terug als aanzet tot een revitalisering van de huidige Europese cultuur.
Als uitgangspunt kan Cliteurs stelling dienst doen dat de antieke ethiek boven de christelijke is te verkiezen, omdat haar normen niet door God verordonneerd maar autonoom zijn, en omdat religieuze normen de mensheid verdeeld houden terwijl de rede, als een algemeen menselijke bron, universaliteit garandeert.
Helaas, aldus Cliteur, wordt dat niet begrepen. Men blijft spreken over een 'joods-christelijke cultuur' als het geestelijke fundament van Europa, hoewel deze traditie inmiddels volledig is achterhaald, om niet te zeggen als inferieur is ontmaskerd. De leegte wordt bovendien gevuld door de erkenning van vreemde culturen en religies als serieuze alternatieven van het eigen erfgoed, reden voor Cliteur om Europa 'decadent' te noemen.
Om de 'grootste beschaving' die Europa belichaamt te redden moet volgens Cliteur een beroep worden gedaan op de tweede beschavingsbron van het oude continent, te weten de filosofie en moraal van de Antieken. Daarmee grijpen we immers terug op een erfenis van humaniteit en redelijkheid, van universalisme zelfs, en overwinnen in één beweging de christelijke moraal en het multiculturele misverstand. Van de Antieken kunnen we bovendien leren trots te zijn op onze superioriteit. We kunnen afrekenen met het egalitaire ethos van het christendom en het daarin besloten liggende respect voor zwakken en verdrukten. Wat werkelijk telt is de elite; 'de gewone massa' doet er niet toe.
Komen we nu tot een kritisch commentaar, dan past vooraf een royale waardering voor Cliteurs eruditie en durf. Helaas blijft hij in hoger sferen zweven en weigert hij de historische werkelijkheid onder ogen te zien.
Hij laat buiten beschouwing dat de Verlichting die hem zo lief is al meer dan twee eeuwen geleden het christendom in de verdediging en tot de terugtocht dwong. Maar de antieke wijsheid en ethiek hebben er niet van geprofiteerd en het moderne humanisme, hoe aardig ook op papier, is in de praktijk altijd een bleek en bloedarm verschijnsel gebleven, waarvoor niemand de straat op ging.
De plaats die door de aftocht van de christelijke cultuur openviel, is niet door het humanisme opgevuld maar door een reeks van uiterst militante vormen van nationalisme, communisme en nationaal-socialisme. 'De gewone massa' van Cliteur heeft er met stromen bloed voor betaald maar het waren godloze intellectuelen die de wervende mythen bedachten en uitventten. Ze vormden de elite van 'creatieve mensen' die Cliteur zo graag voorrang zou geven, en het moet gezegd zijn: het ontbrak hen niet aan trots en aan verachting voor de zwakken en verdrukten.
Wat ik zeggen wil: de 'pagano-ethiek' waar Cliteur zijn hoop op heeft gevestigd, heeft al eeuwen alle gelegenheid gehad zich te bewijzen maar de resultaten waren vaak hetzij pover, hetzij misdadig.
Cliteur heeft een grandioze droom. Wat hij beoogt en bij voorbaat als optie aankondigt is een Tweede Renaissance, een moderne versie van de 'Wiederentdeckung des Altertums', om Jacob Burckhardt te citeren. Maar terwijl Burckhardt een ongelooflijk rijk historisch proces kon beschrijven, moet Cliteur volstaan met een programma vol intellectuele bedenksels waarvan het realiteitsgehalte op zijn best twijfelachtig is. Ik kan me eigenlijk niet voorstellen dat hijzelf werkelijk gelooft in een revitalisering van Europa via de absorptie van socratische wijsheden.
Het is dan ook niet toevallig dat Cliteur zich expliciet richt tot de zogeheten creatieve minderheid. Alleen dáár bestaat immers belangstelling voor cerebrale constructies en wordt zelden geïnformeerd naar de maatschappelijke en politieke effectiviteit. Indien hij die niet in zijn denken betrekt, zal hij helaas in die kring gevangen blijven.
Paul Cliteur is een eminent voorbeeld van een Luftmensch, iemand die het vermogen bezit op eigen kracht boeiende gedachten te ontwikkelen maar daar zozeer in opgaat dat hij niet merkt het ondermaanse te hebben verlaten en buiten het zicht van gewone sterveling te zijn geraakt. Jammer van de inspanning.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.