Op 16 juni 2004 is het 100 jaar geleden dat James Joyce zijn romanpersonages Leopold Bloom en Dedalus een etmaal door Dublin liet dwalen. Op verzoek van Trouw schreven de Joycevertalers Erik Bindervoet en Robbert-Jan Henkes hun Nederlandse 'Ulixes', en verruilden de plaats van handeling van Dublin naar Amsterdam.
[Lestrygoniërs]
Pannenkoeken. Belegd stokbrood. Koffie-ijs bij de Stokkenbar. The best sandwich in town. In de vitrines van de Luciënsteeg liggen bananen, amandelbroodjes, saucijzebroodjes, wafels, gevulde koeken, stukken appeltaart, beignets.
Meneer Bloem laveerde langs de struikelblokken die als coprolieten waren aangebracht op de hobbelkeibepade rechthoek van het Spui. Er zijn schrijvers die wel een hele dag met één zin bezig zijn. Alleen maar om de woorden op de juiste plek te krijgen. Dat is hier niet gelukt. Wat zullen we nou weer eens verzinnen om iets te doen met de openbare ruimte. Een vertaling van de ene taal naar de andere.
- Wilt u oversteken?
Levengevaarlijk, dit fietspad. Ze stoppen nergens voor.
Even koekeloeren. Je ziet soms rare etalages. Mooie ook. Kant in vertaling. Zou dat wat zijn voor Carla? Wel grote overstap van de kalender. Kant aan de broek gaat nog net. Boek over Hercules. Tien zware werken. Verplaatst naar het heden. Leuk idee. Misschien is het omgekeerde ook wel leuk. Pippi Langkous bij de Romeinen. Odysseus op de Wallen. Aeneas nu. Hm. In strips gebeurt het voortdurend. Suske en Wiske. Heinz. Met de teletijdmachine naar het verleden. Je zou kunnen uitvinden of het eten vroeger echt anders smaakte. Mogelijk? Mnee. Je zou je eigen vader kunnen worden. Ze zouden er nu al mee adverteren.
In de gouden lijst naast de Luxembourgse flessenkast was een foto van de overleden koningin gehangen. Gewoon zo als zij was. Gewoon zo als zij gewoon was. Gewoon zoals zij gewoon was gewoon te zijn. Gewoontjes. Zij was een van ons. De vrouw uit Soestdijk. De man uit Paterswolde. De man van Nazareth.
Wat at hij eigenlijk bij dat laatste avondmaal? O ja, een bord linzensoep. En een stukje brood en vis in ruil voor zijn eerstegeboorterecht. Een lamsstoofpotje van mals lamvlees, rozemarijn, venkel, kikkererwtwn (sic!) en gegrilde courgette geserveerd met een kruidige couscous en hummus zal het niet geweest zijn. Hoewel. Dit is mijn lichaam. Eet en vergeet.
[Skylla en Charybdis]
Urbaan, bijna beledigend hoffelijk, quasi-Engels, hield de gewezen docent Moderne Engelse Literatuur de deur van de garderobesluis naar de bibliotheek voor Anton en professor Christel open en spinde, langs hen heen kijkend met licht ironische glimlach:
- Anton hier houdt zich tenminste aan de feiten. Hij bewijst met hogere wiskunde dat Joyce in 1132 geboren is en dat daarom dat jaartal de geheime pincode is van het hopeloos onleesbare zwartboek van de nacht, Finnegans Wake.
- Joyce geboren in 1132? Is dat in de Palestijnse jaartelling?
Panna knock out! Bijdehandte tante.
Nu niet verslappen. Let op. Geef acht. En hij gaf er negen en kon de baan wel vergeten.
- Welnu, het is heel simpel.
- En dat is het moeilijkst, parafraseerde de kwinkelerende Romein berustend.
- De blinde bard uit Zwartpoel, Homo Jocax Erectus, was exact op de dag af veertig toen hij, vanuit continentale balling, met zijn grote blauwe boek Dublin teruggaf aan de Dubliners. Als een verkeerd om geïnjecteerde koning Hendrik de Tweede die de stad in 1172 weggaf aan de inwoners van Bristol. Als 1922, het annus mirabilis van het Modernisme, het jaar van Ulysses, The Wasteland en de Tractatus, waarin Joyce immer blinder aan zijn nachtboek begon, 1172 is, dan staat 1882, het geboortejaar van Joyce, gelijk aan 1132. Veertig jaar aan beide kanten van de streep. In een boek waarin alle tijd is samengebald en niet opgeheven.
Aufgehoben in Hegeliaanse zin. Niet teveel claptrap tegelijk. You're losing it.
- Adoe, zo saai, spint de oud-docent.
De nobelste Romein van allemaal. Mijn naam is ambigue. The perfect ghost.
Hij schurkte tegen de stalen boekenstellage. Achter zijn hoofd knipoogde de oude meester in toga. Illusions in Allysses in Zonderland.
- Geloof je in je eigen theorie?
- Ja. Nee. Soms.
(Eindspel)
- Stoor ik?
De dikke vrolijke wuik van Frans Doeleman bracht zichzelf in het midden bij de kast Eng. Lit. C-E 125.
- Neemt u het hem niet kwalijk want hij weet donders goed wat hij doet.
En hij trok Anton mee over het gangpad naar de uitgang.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.