Op dit moment wordt er ergens in Nederland een kind geboren met wie ik ooit, laten we zeggen rond 2030, oog in oog kom te staan. Ik ben dan oud geworden en niet meer zo vlot ter been. Wat er met dat kind tussen nu en 2030 gebeurt, bepaalt hoe onze ontmoeting verloopt. Wordt hij of zij de bakker die mij met een vriendelijke glimlach mijn halfje bruin overhandigt, de notaris die mijn testament wijzigt, of de zorgzame verpleegkundige aan mijn ziekbed? Of ligt er in die wieg de toekomstige kansarme paria die mijn tasje van mijn rollator grist, de levensmoede dronken automobilist die mij schept op het zebrapad, de verbitterde maatschappijhatende terrorist die zichzelf opblaast en mij erbij?
Wij worden ouder dan ooit. We hebben gemiddeld ruim twintig jaar te gaan na ons pensioen en we zullen onszelf dus decennialang op allerlei terreinen met huid en haar moeten toevertrouwen aan jongere mensen. Het is -nog afgezien van alle sociale en ethische overwegingen- keihard welbegrepen eigenbelang om niet alleen onze eigen kinderen te koesteren en te beschermen, maar alle kinderen. Jeugd- en jongerenbeleid zou een eerste prioriteit moeten zijn op de politieke agenda. Kosten noch moeite zouden gespaard moeten worden om sociaal en emotioneel zwakkere ouders te begeleiden in hun opvoedingstaken, met opvoedcursussen, opvoedwinkels en de meest vooruitstrevende en intelligente hulpprogramma's. In de getto's van nu worden immers de criminelen van straks gevormd, tenzij wij ervoor zorgen dat er volop werkbare alternatieven zijn.
Voor banen in het onderwijs zouden we vorstelijke salarissen moeten betalen, om daarmee de meest geïnspireerde en inspirerende docenten te kunnen aantrekken. Onze jongeren moeten niet overgeleverd worden aan oververmoeide lesboeren of zielloze beeldschermen, maar tegemoetgekomen in hun behoefte aan inhoudelijke contacten met volwassenen: zinvolle gesprekken, vriendelijke aandacht en kundige begeleiding op hun zoektocht naar identiteit en waarden. Schoolgebouwen zouden door de beste architecten ontworpen moeten worden en piekfijn onderhouden, zodat alle leerlingen, ook -of juist!- de minst kansrijke vmbo'ers, zich voortdurend gewenst, gewaardeerd en gerespecteerd zouden weten. Steden zouden op de jeugd gebouwd moeten worden, met uitgestrekte speel- en ontdekparken voor de kleintjes en toegankelijke centra waar tieners hun creatieve of sportieve talenten kunnen ontplooien: muziekstudio's, graffitimuren en skateparken.
Waarom doen we dit allemaal niet? Waarom is onze eigen veilige en aangename toekomst geen prioriteit in alle begrotingen? Ik denk wel eens dat we het jongeren domweg niet gunnen, uit afgunst. We zijn jaloers op kinderen en jongeren, omdat zij zoveel meer toekomst hebben dan wij. Omdat zij nog barsten van energie en levenslust, en omdat zij vanzelf mooi en glad en potent zijn en geen Botox of Viagra nodig hebben. Die afgunst is taboe, die willen we niet toegeven, we onderdrukken en verdringen haar, maar zij komt toch naar buiten, is het niet in de vorm van bitse kritiek en bemoeizucht, dan wel in de vorm van verwaarlozing en onverschilligheid.
Het is pijnlijk om jaloezie op jongeren in jezelf te registreren. Toen mijn eerste kind een kleuter was, moest ik tot mijn eigen verbijstering vaststellen dat ik een dilemma had. Als ik kortaf, humeurig en ongeduldig was, voelde ik me schuldig. Maar als ik genereus en aandachtig met mijn kind omging, stak er een vage maar onmiskenbare jaloezie de kop op. Dit kind zou ruimte en warmte krijgen die ik zelf niet had gekregen. Dat wat je zelf ontvangen hebt, geef je moeiteloos door. Wat je tekortgekomen bent, is lastig weg te schenken. Nogal wat volwassenen van mijn generatie zijn in hun jeugd respectvolle aandacht tekortgekomen. Kunnen we onze jaloezie nu overstijgen, al was het maar uit welbegrepen eigenbelang?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.