*

 

Groeien

Peter Henk Steenhuis − 09/10/04, 00:00

Peter Henk Steenhuis volgt de ontwikkeling van de taal van zijn zoon. Aflevering 67.

Op tafel stonden drie vaasjes. Ooit zat er vers geperste grapefruitsap in, nu een vijftal tulpen. Het was donderdagavond, de tulpen waren langer dan zaterdagochtend, toen we ze op de markt hadden gekocht.

'Kijk papa, wat is er met de tulpen?'

'Nou?'

'Ze zitten een beetje in de vaas, en een beetje eruit.'

'Ja, tulpen groeien, ze worden langer, en dan klimmen ze uit de vaas.'

'Oh, je hoeft tulpen dus niet uit een vaas te halen, ze komen er vanzelf uit. Wat een knappe tulpen.'

'Maar als ze te groot worden knakken ze.'

De tulpen hebben we in de vuilniszak gestopt, een paar uur nadat de kleine baas ze de hemel had in geprezen, waren ze bijna allemaal geknakt. Voordat we de volgende ochtend naar de crèche gaan, wil zijn moeder hem een afscheidskus geven.

'Ik wil geen kus.'

'Wil jij geen kus? Wat is dat nou?'

'Kindjes willen geen kusjes.'

'Waarom niet?'

'Ze vinden ze vies.'

'Vies?'

'Ja, nat, daarom willen ze ze niet.'

Als we de vuilnis bij de lantaarnpaal zetten, komen we een achterbuurvrouw tegen. 'Wat ben jij gegroeid zeg, jij wordt écht groot.'

Hij zegt niets. Ik weet zeker dat we nu allebei aan de tulpen denken. Als de buurvrouw uit het zicht is verdwenen, zegt hij: 'Ik ben groot, ik groei. Ik word groter. En nog groter.' Hij staat nu te springen op zijn tenen. 'Zo groot,' en hij gooit zijn armen in de lucht.

'Zo groot dat je uit je kleren groeit', zeg ik. 'Net als die tulpen moet je dan bij het vuil.'

Hij staat prompt stil. Kijkt me woest aan. Mijn grapje valt verkeerd. Had hij de link met de tulpen dan helemaal niet gelegd?

'O hemel', zeg ik.

'Ik ben de hemel niet', bitst hij, 'ik ben God.'

mailIcon print |