Negen jaar voor de Watersnoodramp liep Walcheren onder water. Met opzet. Het ging de geallieerden niet snel genoeg. Op 3 oktober 1944 vielen 248 Lancaster bommenwerpers de Westkapelse zeedijk aan. Maar hoewel dat een gat van 125 meter in de dijk sloeg, dreigde het toch te lang te duren voor de 'Festung Walcheren' voor de Duitsers onbruikbaar zou zijn en Antwerpen kon worden aangevallen. Op 11 oktober kwamen de bommenwerpers voor de Nolledijk bij Vlissingen en voor Fort Rammekens. Op 11 oktober was Veere aan de beurt en op 17 oktober vielen de bommen weer bij Westkapelle.
In november was Walcheren bevrijd, maar verdronken. En terwijl de legers op weg gingen naar Berlijn, werd in het bevrijde zuiden van Nederland de Dienst Droogmaking Walcheren opgericht en kregen de eerste plannen vorm om de gaten in de dijken te dichten. Die gingen uit van de traditionele Nederlandse dijkenbouw: zinkstukken van in elkaar gevlochten hout werden verzwaard met stenen. Daarop moesten dan, als bij het keren van het tij het water even niet door de bres stroomde klei en zand de laatste gaten dichten.
Schrijver en journalist A. den Doolaard (eigenlijk: C. Spoelstra) was na de bevrijding verbindingsofficier bij de Dienst Droogmaking en deed over de werkzaamheden met fototoestel en microfoon verslag. In een kleine tentoonstelling in de bibliotheek van Middelburg zijn die foto's te zien sommige met een verzoek aan de kijker om te helpen de getoonde plek thuis te brengen. En door de koptelefoon schallen de hoogdravende, duidelijk eerst uitgeschreven teksten van de verslaggever: ,,Proficiat -opnieuw heeft Nederland de zee verslagen.”
Zonder tegenslag was dat niet gegaan, rapporteerde Den Doolaard:
,,Maar, laatst met die storm heeft het weinig gescheeld of de Nolledijk was naar de knoppen gegaan!”
Dat was, alsof het een generale repetitie was voor de ramp van 1953, tijdens een storm die samenviel met springtij. In de nieuwe dijk viel op 25 september 1945 opnieuw een gat, van zestig meter. ,,Die avond had men wel de zwarte vlag kunnen hijsen op de Lange Jan. De zinkstukken waren in de diepte verdwenen, de geul zelf was in één etmaal drie meter dieper geworden. Op 26 september kwam de achtersteven van het schip dat voor de sluiting was afgezonken, weer boven. (...) Allen waren er kapot van.”
Die problemen brachten de Dienst der Droogmaking ertoe, onder Engelse invloed, modernere methoden van dijkdichting te proberen. Het Nollegat werd gesloten met behulp van cais-sons, die in reserve waren gehouden voor het bouwen van de landingshavens in Normandië. En in plaats van zinkstukken werden metalen torpedonetten gebruikt, waarmee in oorlogstijd havens waren beschermd. Op 22 februari 1946 werd het laatste gat bij Westkapelle gesloten. De lessen van Walcheren zouden later worden toegepast bij de Deltawerken. Een jaar later schreef Den Doolaard over de droogmaking, en over de strijd tussen behoudzucht en vernieuwing, een sleutelroman, 'Het verjaagde water'.
De reportages van Den Doolaard geven ook een indirecte blik op de sfeer waarin de droogmakers werkten. Hij kapittelt de 'droogmakers van driehoogachter' die het allemaal beter zouden weten, en de 'boze geruchten' dat de tegenslag door de manschap-pen zelf zou zijn veroorzaakt, om langer werk te hebben. Nee, het zijn helden die de steun van het volk nodig hebben: ,,Stuur hen spelen. Dam, schaak, halma. En boeken. Goede boeken -geen moeilijke literatuur, maar ook geen zolder-opruiming.”
Want die mannen bevrijdden Walcheren uit de Zeeuwse nachtmerrie die nooit gedateerd raakt: ,,Langzaam komen de wegen boven en de ziltige, soppige grond -smerig, bruin. En overal zitten de mosselen op de muren.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.