Aristide was allang van zijn voetstuk gevallen, maar nu is hij echt weg uit Haïti. Terwijl zijn aanhangers hem vroeger voor de Messias hielden is hij nu de verpersoonlijking van het kwaad. Of op zijn best een priester die beter in de kerk had kunnen blijven. Aan de rebellen de vraag of de chaos na Aristide nog groter zal worden? ,,Als u aan het verdrinken bent, dan denkt u alleen aan boven komen.''
Aristide. Aristide. Ook na zijn vlucht is Haïti bezeten van de voormalige armenpriester en van de vraag wat er in hemelsnaam met hem is gebeurd. Vijftien jaar geleden was hij, als eerste democratisch gekozen president, na 'Papa Doc' en 'Baby Doc', een grote belofte, tot ver buiten Haïti. Hij kwam uit een familie van kleine boeren in het vergeten zuiden van het eiland. Als kind van drie verloor hij zijn vader, en zijn moeder trok met de peuter naar de hoofdstad, waar ze langs de weg groenten verkocht. Op school beleefden de priesters plezier aan het wonderkind Jean-Bertrand, dat elke ochtend zo hartstochtelijk bad. Ze stuurden hem voor zijn studie naar Jeruzalem, Egypte en Engeland. Hij promoveerde in de psychologie met het proefschrift 'Oudtestamentische neurose', leerde Hebreeuws, Arabisch, Engels, Italiaans en Spaans; hij werd priester en bevrijdingstheoloog. Hij was pas acht maanden in functie toen hij al door de militairen werd afgezet, maar in 1994 werd hij door VS-troepen in zijn ambt hersteld. In 2000 werd hij herkozen, maar dit keer alleen dankzij intimidatie en verkiezingsfraude.
Nu wordt zijn vermogen geschat op 800 miljoen dollar, in een land dat eigenlijk niets voortbrengt, en in Port-au-Prince verplaatste hij zich alleen nog maar per helikopter. Tot zijn intiemste vertrouwenspersonen behoren drugshandelaars en drugssmokkelaars, en er doen de wildste geruchten over hem de ronde: hij zou manisch-depressief zijn, ministers slaan, naakt poseren voor buitenlandse fotografen. Terwijl zijn aanhangers hem vroeger voor de Messias hielden, en de kogels hem tijdens een moordaanslag in zijn kerk weigerden te treffen, wordt er tegenwoordig over hem verteld dat hij regelmatig mensenoffers brengt aan de duivel. Etienne Winter, een van de rebellenleiders, beweert dat Aristide beloofd heeft dit jaar 2004 baby's af te slachten. Op een dag zou men alle skeletten onder het nationaal paleis opgraven. Op het internet vindt men forums en nieuwsbrieven waarin dagelijks tientallen nieuwe soortgelijke gruwelverhalen worden gepubliceerd en 'geanalyseerd', met een nauwgezetheid die men normaal alleen van fanclubs van popsterren kent. Maar waarschijnlijk haten de Haïtianen Aristide daarom zo hartgrondig, omdat ze hem ooit zo liefhadden - en hij hen allemaal verraden heeft.
Op 11 februari geeft Aristide een persconferentie in zijn sneeuwwitte paleis. Het is een huiveringwekkende vertoning. Er staat een tafel met twintig stoelen en evenveel microfoons. Maar de journalisten durven niet te gaan zitten. Een strak gespannen touw houdt ze dicht op elkaar gepakt gevangen in het achterste gedeelte van de zaal, en de tafel blijft leeg. Iedereen wordt bij het binnenkomen twee keer streng gefouilleerd, door Aristide's speciale Amerikaanse garde, die hem jaarlijks negen miljoen dollar kost. De veiligheidsmaatregelen zijn niet verwonderlijk. Twee dagen eerder hebben de rebellen Gonaives ingenomen, een stad met 70000 inwoners. Sindsdien hebben de 'chimères', de geheime agenten van de president, de terreur tegen allen die hun 'Titid' niet meer liefhebben verder opgevoerd. En de rebellen hebben gezworen hem uit zijn paleis te verjagen.
De deur gaat open. Iedereen verstomt. De ex-heilige treedt vanuit zijn privé-vertrekken de pronkzaal binnen. Hij lijkt nog kleiner en schrieler dan op de foto's. En zo spreekt hij ook: zacht, behoedzaam. Hij heeft het over 'mijn broeders in de oppositie', hij vertelt dat hij tegen geweld is, van welke kant het ook komt. Hij noemt Mahatma Gandhi en Martin Luther King. Maar hij zegt ook dat het bij de zogenaamde 'rebellen' uitsluitend om een bende roofmoordenaars gaat, die kinderen als schild gebruiken. Hij praat nog steeds als een priester, hoewel hij inmiddels een vrouw, twee kinderen en twee swimming-pools heeft. Hij last lange pauzes in, waarbij hij de ogen sluit en diep lijkt na te denken. Als hij van 'vrede' en 'broederschap' spreekt, doet hij dat met naar boven gedraaide handpalmen. Een Franciscus van Assisi met streepjespak en goudomrande bril. Hij zegt op weke en zachte toon dat er weer onderhandeld moet worden en dat de democratie moet worden hersteld: dertig staatsgrepen in de geschiedenis van Haïti -dat is wel genoeg. De demonstranten die al wekenlang met honderdduizenden de straat op gaan, zijn voor hem slechts een handvol 'onruststokers', die gemene zaak maken met terroristen. Het werkelijke volk, dat zijn voor hem de armen uit de bidonvilles, zoals de 'Cité Soleil', die niets anders willen dan vrede en veiligheid. Namens hen spreekt hij. Hij geeft de journalisten te verstaan dat het merendeel van deze eenvoudige zielen Engels noch Frans spreekt, en dat men die paar rijke, intellectuele opposanten, die zo graag in de schijnwerpers staan, niet met het Haïtiaanse volk moet verwisselen. Hem wordt nog gevraagd onder welke omstandigheden hij wil terugtreden. ,,Ik ben tot 7 februari gekozen,'' luidt zijn antwoord. Dan verontschuldigt hij zich. De nationale vlag voor het paleis wordt gestreken, de fanfares klinken. Aristide verheft zich uit zijn zetel, blijft enkele minuten onbeweeglijk en zonder een woord te zeggen staan, kijkt door het raam naar buiten -en verdwijnt.
,,Hij heeft gelijk,'' zegt Jackie later, een Engelse die hier al twintig jaar woont en bemiddeld heeft bij mijn bezoek in het paleis. ,,De westerse journalisten menen dat de paar dissidenten uit de blanke bovenlaag, die steeds weer geciteerd worden, representatief zijn, terwijl 90 procent van de bevolking ze niet eens verstaat. Zouden er vandaag verkiezingen zijn, dan zouden de meesten nog steeds op hun Titid stemmen. De mûlatres hebben nog nooit iets voor hen gedaan. De armen zullen hen nooit vertrouwen.''
Voor de volgende dag heeft de beweging '184' een anti-Aristide-demonstratie in Port-au-Prince aangekondigd. De beweging heet zo omdat er 184 verschillende partijen en organisaties in verenigd zijn, die precies één punt gemeen hebben: ze willen dat Aristide vertrekt. Maar om tien uur is er op de Place Canapé Vert geen opposant te zien. Want de militante Artistide-aanhangers hebben al in de vroege ochtenduren een tegenbeweging gemobiliseerd, die de straat met autowrakken en brandende banden blokkeert, merkwaardige slogans scandeert, zoals 'Vrede in het hoofd, vrede in de buik!' en die ieder die ook maar enigszins kritisch tegenover de regering lijkt te staan de stuipen op het lijf jaagt. De jonge mannen in armzalige, gescheurde kleren omsingelen meteen elke auto die in de buurt komt. Sommigen hebben al stenen in de hand. De strijdlust straalt van hun gezichten af. En omdat de vijand zich niet laat zien, koelen ze hun woede op de aanwezige fotografen. Op gebiedende toon vragen ze om paspoorten, jagen enkele willekeurige journalisten weg en bedreigen een paar andere. Ten slotte verschijnen er twee blanke veertigers. Uit hun kleding, hun optreden, hun gezichten kan men meteen opmaken dat ze tot een andere bevolkingsgroep, een andere wereld behoren. Ze worden door de jongeren omsingeld, uitgescholden -en dan landen de eerste vuistslagen al op hun rug. Ze versnellen hun pas. Spottend gelach, een van hen krijgt een vuist in zijn gezicht, nu zetten ze het op een lopen, ze worden met flessen bekogeld, de ander wordt door een kei in de rug getroffen, ze bereiken ternauwernood hun auto en scheuren weg. Een van de jongeren vertelt spottend dat het de organisatoren van de demonstratie waren. Ze waren zo stom om te denken dat de mensen hier tegenstanders van Aristide waren. Toen ze erachter kwamen dat de menigte niet uit enthousiasme over hun verschijning joelde, was het al bijna te laat. Maar zijn uitleg is ongeloofwaardig. Het is waarschijnlijker dat de mannen met de anderen wilden discussiëren. Maar ze waren aan het verkeerde adres.
Er is een wijk in Port-au-Prince genaamd 'Village de Dieu'. Volg je de rue Mandela, dan zie je eerst bakstenen huizen, vervolgens houten hutten en tenslotte kom je bij zee met scheve bouwsels van golfplaten. De rue Mandela eindigt aan het strand, maar de stranden van Port-au-Prince zijn geen witte paradijzen met fijn zand en wuivende palmen, het zijn vuilnisbelten. Wat de bewoners goed uitkomt. Ze maken het vuilnis zo goed en zo kwaad als het gaat vast met stokken die ze het moeras indrijven en met oude autobanden. Zo komen ze gratis aan land waarop ze hun hutten kunnen bouwen. Soms beschermen ze ze met doornstruiken, een natuurlijk soort prikkeldraad.
Geiten zoeken in het vuilnis naar iets eetbaars en vinden een paar sinaasappelschillen. Twee jonge mannen lopen over de nieuwe 'bouwfundamenten'. Ze gaan voetballen. ,,We hebben niets anders te doen.'' Werk? Ze lachen. Een slechte grap. ,,Het leven gaat aan ons voorbij,'' zeggen ze. En de huidige politieke situatie? ,,Die vraag is te moeilijk voor mij.'' Het is niet eenvoudig om erachter te komen wat het gewone volk werkelijk van Aristide vindt.
Aan de ingang van het grote kerkhof staat: 'Gedenkt dat gij stof zijt'. Daarnaast heeft iemand 'Aristide' geschreven. De huizen van de doden zijn in het algemeen steviger gebouwd dan die van de levenden. Maar ze worden dan ook langer bewoond. Op een kruispunt smeult nog een brandoffer na. Een paar straatjongens pakken wat er nog van over is. Een oude man vloekt. ,,Dit is nog steeds een heilige plaats, verdomme nog aan toe.'' Een jaar geleden heeft Aristide de voodoo tot staatsgodsdienst verklaard.
,,Hij heeft zijn ziel verkocht,'' zegt Lionel, onze begeleider, die zich kunstenaar noemt, maar die er ondanks het grote kruis op zijn borst eerder uitziet als een huurmoordenaar. Het hoogtepunt in zijn leven was dat hij ooit een dag lang bodyguard was van Anthony Hopkins. ,,Aristide is schizofreen. Ken je Mr. Hyde en Dr. Jekyll? Ziek, ziek, ziek. En geloof er geen woord van als iemand jullie iets goeds over hem vertelt. De jongens die gisteren de demonstratie gesaboteerd hebben zijn allemaal door hem betaald.''
Hij wijst ons erop dat de beide mannen van de oppositie praktisch onder de ogen van de politie gemolesteerd werden. En dat klopt: ik zag ze op de veranda staan, alsof het hun allemaal niets aanging. ,,Officieel gebruiken ze bij betogingen alleen traangas om de menigte uiteen te drijven,'' zegt Lionel. ,,Wat veel mensen niet weten is dat ze, als alles in nevel is gehuld, met de traangasgranaten direct op de mensen schieten. Een vriend van me werd in zijn buik getroffen, waar de granaat vervolgens explodeerde. Hij stierf op de operatietafel.''
Lionel vraagt of wij het verhaal van het zieke kind kennen dat naar de voodoopriester werd gestuurd. Die zei: ,,Scheur een prentje van Lucifer in kleine stukjes en geef ze het kind te eten.'' Omdat de ouders nergens een afbeelding van Lucifer konden vinden, namen ze er een van Aristide en gaven het aan het kind. Maar het werd nog zieker. Ze gingen naar de priester terug en vertelden hem wat ze gedaan hadden. ,,Geen wonder,'' zei de priester, ,,dat was een overdosis.''
Later zegt een buschauffeur tegen ons: ,,Ik ben arm maar trots. Ik zal altijd voor mijn Titid vechten.''
,,Waarom houdt hij toch zoveel van Aristide?'' vraag ik Lionel.
,,Omdat hij met cameralieden, bodyguards en bananen naar de sloppenwijken gaat. Daar eet hij de ene helft van de banaan op en geeft de andere aan een straatjongen. En iedereen zegt: Kijk, hij houdt van de armen, hij deelt zijn laatste banaan met ze.''
Op Haïti heb je veel plaatsen met grappige namen. Je hebt Limonade en Cabaret. Je hebt Mme Joie en Bonbon. Je hebt ook Trou du Nord (Gat van het Noorden) en Tombe Gateau (Taartengraf). Je hebt Gris-Gris, Marmelade en Bombardopolis. Maar na enig nadenken kiezen we toch voor Gonaives. Want intussen is de ene na de andere stad in handen van de rebellen gevallen, maar Gonaives blijft het centrum van de opstand. In de hoofdstad worden de verschrikkelijkste dingen verteld. Het zou daar een hel zijn. Willekeur, geweld, anarchie.
Omgeven door kale, ontboste heuvels ligt Gonaives in een troosteloze vlakte, 'Savane désolée' genaamd. Als we met de auto aankomen bij de wegversperringen van omgegooide containers, uitgebrande autowrakken en koelkasten, ziet de toestand er werkelijk angstaanjagend uit. We moeten de auto laten staan. Een man met een zwart masker zwaait met zijn zilverkleurige revolver voor ons gezicht en wijst naar twee motorfietsen die ons naar het centrum zullen brengen, tenminste als men het uitgebrande politiebureau (waarop iemand 'Te koop' heeft geschreven), de met de grond gelijk gemaakte gevangenis en het ontplofte tankstation zo kan noemen. De straten zijn bezaaid met vuilnis, straatstenen, scherven en rokende stookplaatsen en zelfs voor motorfietsen bijna onbegaanbaar. Maar, en dat is de grote verrassing, de inwoners zijn dolgelukkig. Ze voelen zich bevrijd. 'Sinds de politie weg is,' zegt een van hen, 'voelen we ons weer veilig.' Bijna elke dag wordt er gedemonstreerd, tegen Aristide. De optochten zijn één grote vreugdedans. Vreemd contrast met de officiële lezing. In de kranten in Port-au-Prince is sprake van een 'angstige bevolking in de greep van terroristen'. Maar de 'bevrijders' worden fanatiek bejubeld als ze voorbijrijden. Superstars. Zo zien ze er ook uit. Billy Commando bijvoorbeeld is uit Fort Lauderdale, Florida, overgekomen om voor zijn volk de straten schoon te schieten, zoals hij zegt. Later blijkt dat hij na een verblijf in de gevangenis gedeporteerd werd. Detail. Hij praat alsof hij in een Rambo-film speelt. Om zijn hals draagt hij altijd een koppel handboeien. Het kogelvrije vest met het opschrift 'politie' heeft hij bij de bestorming van het commissariaat meegenomen. Als hij op 'patrouille' gaat, doet hij dat met zijn motor, een Honda 750. In de rechterhand een revolver, in de linker een fles Barbancourt. Helaas moet hij de volgende dag in het ziekenhuis worden opgenomen. Niet als gevolg van een schotenwisseling met de vijand, maar omdat hij een val maakt met zijn Honda.
Een andere popstar onder de rebellen is Butter Métayer. We treffen hem op de kruising waar het graf en gedenkteken voor zijn broer Amiot staat. Een houngan, priester, legt net een paar offergaven neer, steekt dan op het plein ervoor een vuurcirkel aan, en Butter Métayer giet er een fles rum over uit. Een blauwe steekvlam schiet omhoog, de omstanders lopen er een paal maal omheen en worden door de priester met gezegend 'agua di Florida' besprenkeld; daarna zet zich een protestoptocht in beweging.
Ik vraag Métayer wat hier de bedoeling van is.
,,Om de geesten gunstig te stemmen voor onze zaak,'' lalt hij.
,,Wat heeft dat met dit plein te maken?''
Hij vertelt dat hier de standbeelden van de nationale helden stonden: Toussaint Louverture, de aanvoerder van de slaven, met zijn compagnons Jacques Dessalines en Henri Christophe, die Haïti tweehonderd jaar geleden naar de onafhankelijkheid leidden en daarmee de eerste zwarte republiek stichtten. ,,Aristide had de standbeelden hier opgesteld, maar het is een slechte plek,'' mompelt Métayer. ,,Er hangen hier misselijkmakende geuren. Dat was Aristide's manier om zich van de macht van de voorouders meester te maken. Nu hebben we ze beneden bij de zee gezet. En omdat de Kerk weigerde mijn broer te begraven, deden we dat hier.''
Ik moet hem wat ontzet hebben aangekeken, want hij voegde er aan toe: 'We zijn in de aard een mystiek volk'
Amiot was een drugsbaron en behoorde tot de 'armée cannibale', speciale troepen die voor Aristide de smerigste jobs opknapten. Toen de internationale druk op Aristide om Amiot gevangen te nemen steeds groter werd, liet hij hem op 22 september van het afgelopen jaar vermoorden. Volgens zijn broer Butter haalde men daarop zijn ogen weg, om ze bij Aristide in te planten. Hart en hersens werden vervolgens geofferd.
,,We zagen dat de opperkannibaal in werkelijkheid Aristide was,'' zegt Butter. Het kannibalen-leger veranderde zijn naam in 'Front de libération et de reconstruction d'Haiti' en keerde zich tegen zijn voormalige opdrachtgever. Vroegere leden van de politie en van het in 1995 door Aristide ontbonden leger traden toe, velen kwamen met vrachtwagens vol wapens terug uit ballingschap in de aangrenzende Dominicaanse Republiek. De rest is bekend.
,,Aristide was ondankbaar,'' zegt Butter. ,,Zijn eigen wapens keerden zich ten slotte tegen hem en hopelijk ook spoedig tegen de geesten die in zijn dienst staan.''
De inwoners van Gonaives maken zich geen illusies aangaande de persoonlijkheid en de doeleinden van lieden als Métayer. Maar op het moment gaat het erom Aristide kwijt te raken. ,,Je hebt een booswicht nodig om je van de booswicht te bevrijden,'' zegt men graag. Dat je daarna ook die andere weer kwijt moet raken, weten ze heel goed. Daarbij citeren ze het andere Haïtiaanse spreekwoord: 'Dèjè mòn gen mòn' - 'Achter de berg ligt een berg.'
De beste gelegenheid om het eigenlijke hoofd van de opstand, Guy Philippe, te ontmoeten, schijnt 's morgens vroeg te zijn. Maar als we om negen uur in het headquarter, een soort ruwbouw in de armenwijk Raboteau opduiken, staat Philippe, met alleen een gele handdoek om, op de binnenplaats, en wacht tot een meisje een emmer water voor hem uit de pomp gevuld heeft.
,,Wil je geen foto van hem maken?'' zeg ik tegen Tiane, ,,ziet er toch sexy uit.'' Pijnlijk genoeg pikt Etienne Winter, de woordvoerder van de rebellen, vlak achter mij, de opmerking op en kijkt me verbluft aan. Vervolgens trekt hij niet zijn revolver, maar barst in lachen uit en zegt: ,,Of niet soms?''
Hij zegt dat het gisteren wat laat is geworden en dat we maar over een halfuur terug moeten komen. Ik hoor daarna dat de hele groep zich in het 'Newlook'-bordeel vlak ernaast tot in de vroege uurtjes geamuseerd heeft.
Als ik terugkom zitten de meest gezochte mannen van de Caraïben in militaire uniformen aan het ontbijt, de revolvers liggen op het geborduurde witte tafelkleed voor hen, naast de Pepsi-flesjes. Op de binnenplaats zit een handvol jonge, knappe vrouwen. Ook kleine kinderen springen in het rond. ,,Dat is onze Club des amies,'' zegt Philippe glimlachend.
,,Waarom tuimelt Haïti al twee eeuwen lang van de ene catastrofe in de andere?'' vraag ik hem. ,,Is het eiland vervloekt?''
Zijn antwoord is verfrissend rationeel: ,,Op grond van zijn geografische ligging, zijn geschiedenis, taal en cultuur was Haïti altijd wat geïsoleerd. Door de politiek van Aristide heeft het land zichzelf bovendien buitenspel gezet.''
,,Wat zal er gebeuren als Aristide valt?''
,,De voorzitter van het Hoogste Gerechtshof wordt interim-president, zoals het in de grondwet is bepaald. We zullen een nationale conferentie met alle betrokkenen beleggen, waar men het over de belangrijkste doeleinden eens moet worden. Want het probleem is niet Aristide, maar dat er een programma ontbreekt. En daarna worden er nieuwe verkiezingen georganiseerd. Wat is trouwens uw indruk van Gonaives?''
,,De mensen zijn opgelucht. Maar de opstand alleen geeft ze nog niet te eten. Wat gaat u ondernemen om de levensvoorwaarden concreet te verbeteren?''
,,Wij zijn geen politici. Het gaat er nu om zo snel mogelijk Port-au-Prince in te nemen en een nieuwe regering te vormen die zich over deze problemen ontfermt. Cap Haitien is niet belangrijk, het is al geïsoleerd. Sommige van onze mensen zullen dit weekeinde al in de hoofdstad zijn.''
,,Zal het in Port-au-Prince, waar het wemelt van de chimères, niet tot een bloedbad komen?''
,,De chimères zijn onschuldige armen, die vechten omdat Aristide ze te eten geeft. We hebben het niet op hen gemunt. Volgens onze schattingen bestaat er minder dan tien procent steun voor Aristide.''
Het is dan 20 februari. Philippe heeft ons kennelijk met opzet verkeerd geïnformeerd. Twee dagen later nemen de rebellen Cap Haitien, de een na grootste stad van het land, in, zonder noemenswaardige tegenstand, voorzover bekend zonder doden, enthousiast begroet door de bevolking, terwijl de regeringskrant 'Progrès' nog steeds over een internationaal complot bazelt.
Het volgende weekeinde is het carnaval in Port-au-Prince, en het gerucht doet de ronde dat de oppositie de optocht tot een demonstratie wil maken en het paleis bestormen.
,,Onzin,'' zegt Christian Deck, ,,die laten zich hun feest toch niet bederven. Het is nota bene het enige pleziertje dat hun nog rest.''
Christian Deck is een 63-jarige Zwitser die 25 jaar geleden naar Haïti is gekomen en daar gebleven is. Hij had in Port Salut aan de zuidkust een klein hotel dat hij enkele jaren geleden verkocht heeft, en inmiddels woont hij in de hoofdstad op een hotelkamer.
,,De slavenhouders zorgden er wel voor slaven uit verschillende Afrikaanse gebieden te laten samenwerken, om te voorkomen dat er een groepsgevoel kon ontstaan,'' verklaart Deck. ,,Dat werkt tot nu toe na in Haïti. Wat telt, zijn families en clans, samen met de ermee verbonden begunstiging van de familie. Maar een natie bestaat er eigenlijk niet.''
,,Ze hebben hoe dan ook het creools. Zwitserland heeft niet eens een gemeenschappelijke taal.''
,,Maar wel gemeenschappelijke belangen. Hier wordt enkel geïmporteerd. En de slavenmentaliteit werkt na. Die zegt ten eerste: een vrij mens werkt niet. Ten tweede: maak de ander niet kwaad - wat ertoe leidt dat wat iemand zegt absoluut niets te maken heeft met wat hij doet. Ten derde: de fout ligt bij de ander, vooral bij de baas. Ten vierde: áls ik dan arm ben, moet het de ander ook niet beter gaan.''
,,Vroeger was dat geen probleem,'' zei Deck. ,,Je was arm, maar de vruchten vielen zo in je mond, en dankzij het klimaat had je huis noch kleren nodig. Maar nu is alles ontbost, de bodem geërodeerd, en de hoofdstad telt twee miljoen mensen.'' De meeste tijd brengt men door met omkopen: ,,Je betaalt de bewaker om de deur te openen, de liftboy om op de knop te drukken, de portier om je naar het loket te brengen, en de beambte om het loket open te maken. Er is sinds de tijden van Duvalier ongetwijfeld sprake van democratisering. Toentertijd moest je de chef betalen, intussen alles en iedereen. Wie geen geld heeft, die komt niet eens tot de deur.''
,,En waarom bent u desondanks in Haïti gebleven?''
,,Ach weet u, het leven is hier altijd nog veiliger dan in New York.''
Terwijl Christian Deck het gehecht zijn aan de overgeleverde tradities en ideeën als een van de voornaamste hindernissen beschouwt voor Haïti's vooruitgang, ziet Max Beauvoir juist in de terugkeer naar het 'eigene' de redding voor het land. Max Beauvoir is een zeventigjarige voodoo-priester in een buitenwijk van Port-au-Prince. Hij ontvangt ons in een prachtige bosschage, een tropische tuin met eeuwenoude sculpturen en geornamenteerde stenen banken. Maar niets is meer veilig. Afgelopen nacht zijn hier plunderaars binnengedrongen. Er zijn geen taboes meer. De ceremonies zijn voorlopig afgezegd.
,,Is de huidige crisis ook een religieuze en spirituele crisis?'' vraag ik de eerbiedwaardige oude man met zijn witte haar die voor vele gelovigen een wijze is.
,,Ongetwijfeld. Voodoo, dat betekende voor ons Je m'en fous. Een afwijzing van de christelijke kolonialisten. Juist nu proberen de Amerikanen en Fransen opnieuw ons hun ideeën op te dringen. Ze zouden ons met rust moeten laten.''
Haïti, aldus Beauvoir, heeft nu een unieke kans, omdat er geen andere uitweg is dan zich werkelijk aaneen te sluiten, te discussiëren en een evenwicht te vinden. Het zou jammer zijn als dit proces van buitenaf werd gesmoord.
,,Maar Aristide had tien jaar geleden ook een unieke kans. Waarom heeft hij die verspeeld?''
,,Aristide begreep niets van regeren. Als priester hoefde hij zich om niets te bekommeren, zelfs het brood werd voor hem gekocht. Hij had niet eens een winkel kunnen runnen. We hadden het moeten weten, maar het was de hoop die ons misleidde.''
Dat komt overeen met de diagnose van Georges Michel, een journalist van Radio Métropole in Port-au-Prince.
,,Wat is er toch met Aristide gebeurd de laatste jaren?'' vroeg ik hem.
,,Niets,'' antwoordde hij. ,,Het was van het begin af aan mis. Niets tegen priesters -ik ben zelf katholiek- maar ze zouden in de kerk moeten blijven en zich niet met de politiek bemoeien. De clerus is niet democratisch. En je verandert het lot van de armen niet met zegeningen en vrome spreuken.'' Aristide interesseert zich niet voor instellingen en hervormingen, aldus Michel, maar ziet zichzelf als charismatische heilige. ,,En omdat hij net als iedere dictator competentie minacht, neemt hij ook geen experts in de arm, maar laat ze vermoorden.''
Deck had gelijk gehad. Het carnaval in Port-au-Prince verliep vreedzaam. Maar op 16 februari namen de rebellen Hinche in het binnenland in en op 26 februari viel Les Cayes in het zuiden. Op 28 februari werd Aristide gevraagd of hij zou aftreden. Ten antwoord hief hij alleen zijn hand op. Vijf vingers, vijf jaar, dat wil zeggen: ,,Ik blijf tot aan het eindevan mijn ambtsperiode.''
De dag daarop, Guy Philippe's 36ste verjaardag, gaf Aristide hem het mooist mogelijke geschenk, en verdween.
Beauvoir, de houngan in het witte gewaad, op wiens mobieltje permanent telefoontjes uit de hele wereld binnenkomen, zegt: ,,U kunt me tot slot nog één vraag stellen.''
,,Bent u niet bang dat de chaos na Aristide nog groter zal worden?'' vraag ik.
,,Dat zijn overwegingen van een bevoorrechte. Als u aan het verdrinken bent, dan denkt u alleen aan naar boven komen, om adem te kunnen halen. Voor velen gaat het om sterven of overleven. Wat morgen komt, zullen we morgen wel zien. Maar weet u, deze gebeurtenissen, waar nu zoveel ophef over wordt gemaakt, zijn niet meer dan de golven die breken op het strand. Een golf, ze mag nog zo hoog zijn, trekt de zee niet in twijfel.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.