Nederlander Klaas de Jonge werkte in Rwanda in de gevangenis, waar duizenden plegers van genocide zitten in afwachting van hun berechting. Sinds 2001 onderzocht De Jonge de zogenaamde gacaca: de volksrechtbanken die de massamoordenaars berechten. 'Het idee blijft geweldig, maar aanpassingen zijn hard nodig'. Er is wantrouwen: De intellectuelen van het land kijkt neer op de 'boerenrechtspraak' En Hutu's in de gevangenis denken vaak dat gacaca vooral een manier is om ze te laten bekennen, en daarna te doden.
Duizenden mannen zitten dicht opeen gepakt, deels in de open lucht. Een groep leert Engels, pal naast een Swahiliklasje. Her en der verdient iemand wat bij als kapper of schoenmaker. Voor de stinkende toiletten staat een rij.
Dit is de centrale gevangenis van Kigali, de hoofdstad van Rwanda. 95 procent van de mannen zijn Hutu-moordenaars van de genocide op de Tutsi's in 1994. In deze overbevolkte gevangenis heeft Klaas de Jonge sinds 1998 gewerkt om de omstandigheden te verbeteren. Hij deed dat voor Penal Reform International, een organisatie die vanuit Londen strijdt voor strafrechthervorming.
In Nederland raakte De Jonge bekend door zijn wapensmokkel voor het het Zuid-Afrikaanse ANC in de jaren tachtig. In Rwanda organiseerde hij trainingen voor het gevangenispersoneel, veelal gedemobiliseerde soldaten. Ook werden er stapelbedden in elkaar gelast, zodat nu drie mannen een bed van 1,20 breed kunnen delen. Voorheen sliepen zij bij toerbeurt, of op de stenen in de binnenplaats, ook in kou en regen.
Aanvankelijk was het een chaos, maar inmiddels hebben de gevangenen zichzelf strak georganiseerd, zoals dat in het hiƫrarchische Rwanda gebruikelijk is. PRI zette werkprojecten op zodat gevangenen af en toe buiten de slaapzaal konden komen. Ook op deze heldere dag werken sommigen op de velden rond de bajes. Zo kunnen zij wat geld verdienen en soms een familielid ontmoeten.
Door de enorme hoeveelheid moordenaars en de 130000 gevangenen liep het juridisch systeem vast. Massaal amnestie verlenen was onmogelijk, maar iedereen vervolgen evenmin. Zo werd in 1998 het idee geboren om de traditionele volksrechtbanken, de gacaca, in te gaan zetten bij berechting van de genocideplegers.
De Jonge vindt het nog steeds een geweldig idee. Sinds 2001 onderzoekt hij de voorbereiding en het functioneren van de gacaca, waarbij zijn rapporten tot ergernis van de regering steeds kritischer worden. ,,Ik heb net gehoord dat ik de gevangenissen niet meer in mag, omdat ik tegen de regering zou zijn'', zegt De Jonge. Van president Kagame is bekend dat hij zelfs opbouwende kritiek als aanval ziet.
De belangrijkste aanbevelingen van De Jonge zijn om de 250000 gekozen lekenrechters meer opleiding te geven dan de huidige zes dagen, en hen een vergoeding te bieden voor hun werk. ,,Verder moeten de lokale autoriteiten interesse tonen en ook intellectuelen moeten naar de zittingen komen, in plaats van te denken dat het louter tweederangs boerenrechtspraak is.'' Maar vooral denkt De Jonge dat er beter moet worden voorgelicht aan de Hutu's over het nut van de gacaca. Veel Hutu's zijn na de genocide standrechtelijk gedood door soldaten van het Tutsi-bevrijdingsleger. Dat onderwerp is echter voor de regering taboe, en de eenzijdige vervolging van Hutu-moordenaars staat een verzoeningsproces in de weg.
De Jonge ziet een sterk wantrouwen tegen de Tutsi-minderheidsregering. ,,De massa wil niet over de genocide praten, en je ziet dat de deelname van publiek aan de gacaca-zittingen afneemt. Waarom zou je je buurman beschuldigen? De volgende vraag kan zijn: 'Wat deed jij toen'?'' Hutu's in de gevangenis denken vaak dat gacaca vooral een manier is om ze te laten bekennen, en daarna te doden.
Het vrijlaten van ruim 20000 lichtere gevallen in mei was in dat licht een goede zet van de regering, die indruk heeft gemaakt. En die de impuls om te bekennen enorm vergroot, want wie bekent krijgt strafvermindering. Later dit jaar wil president Kagame weer een groep van 20000 mensen vrijlaten. De bekenners zorgden onbedoeld voor een heel nieuw probleem. 30000 moordenaars noemden de namen van 250000 medeplichtigen, die nog vrij rondlopen. ,,Hen oppakken zou een economische ramp betekenen en slecht zijn voor de verzoening. Onhaalbaar'', oordeelt De Jonge.
De Nederlander is er in zijn tijd in Rwanda van overtuigd geraakt dat de meeste Hutu-mannen heel enthousiast hebben meegedaan aan het stelen en doden in 1994. De slachtoffers zijn vaak ontzet dat nog zoveel daders vrij rondlopen, maar er is geen politiek alternatief. Kagame heeft het opzetten van de gacaca zelfs maandenlang stilgelegd om de verkiezingen van september te winnen.
Al met al blijft het rechtssysteem ook zonder die 'extra' groep moordenaars overbelast. De Jonge: ,,Nu is pas tien procent van de geplande gacaca actief. En het duurt een jaar om uit te zoeken wie, waar, wat heeft misdaan. Reken maar uit. Pas in 2005 begint de echte berechting.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.