*

 

Verlichting is de moed vrijuit te durven denken

Yoram Stein − 16/07/04, 00:00

Was de Verlichting tegen religie gekant? In een korte serie probeert Trouw licht te werpen op een zaak die, anders dan de naam doet vermoeden, wat duister is geworden. Deel 2: Verlichtingsfundamentalisten versus watermeloenen.

Verlichting doet er weer toe.

Op opiniepagina's wordt hartstochtelijk gediscussieerd over de vraag of de Verlichting voor dan wel tegen religie was. Daarbij gaat het er zo heftig aan toe dat je haast zou denken dat de 18de eeuw de dag van gisteren was. Hoe kan het dat wat filosofen twee, drie eeuwen terug over religie dachten, vandaag tot zulke hevige polemieken leidt?

Het voor de hand liggende antwoord luidt dat het debat eigenlijk om iets anders gaat. Niet om de denkbeelden van les philosophes, maar om de vraag hoe de islam vandaag politiek beoordeeld dient te worden. Grofweg zou je in het debat over deze vraag twee kampen kunnen onderscheiden.

Het eerste ziet in de islam in zijn huidige dominante, ideologische vorm een bevrijdingstheologie; een religie die opkomt voor de arme, onderdrukte slachtoffers van het imperialistische geweld. Volgens dit kamp, ook wel 'watermeloenen' genoemd - zij zijn islamitisch groen van buiten en socialistisch rood van binnen - gaat de strijd om sociale rechtvaardigheid, internationale economische gelijkheid, olie in handen van gekoloniseerde volkeren; eerst klassenstrijd of djihad, daarna pas vrede. Een ander punt van dit kamp is dat de Verlichting niet antireligieus was, maar pleitte voor verdraagzaamheid en relativisme. Voltaire, zo weten de watermeloenen, had Pim Fortuyn verafschuwd. En Kant was volgens hen een aanhanger van het dragen van een hoofddoekje geweest, ook in openbare functies.

Het tweede kamp ziet de islam niet als een bevrijdende maar als een onderdrukkende religie. In hun strijd tegen de opmars van de fundamentalistische islam beroepen zij zich op dezelfde Voltaire en Kant. De islam heeft juist een Verlichting nodig, zeggen zij. Wordt dat niet bewezen door de onverdraagzame reacties op ook maar de mildste kritiek op de islam? Laten de bedreigingen aan de adressen van critici als godsdienstwetenschapper Nasr Abu Zaid, schrijver Salman Rushdie of politica Ayaan Hirsi Ali niet zien dat de islamitische wereld doodsbang is om tegen het licht van de rede gehouden te worden?

De liberalen in dit kamp - 'verlichtingsfundamentalisten' genoemd, omdat zij geloven in ongeloof en onverdraagzaam zijn in het verdedigen van verdraagzaamheid - vinden dat de islam zich moet bevrijden van deze angst voor zelfkritiek. Niet het westerse imperialisme, maar de verstikkende islamitische 'cultuur' die politieke vrijheid onmogelijk maakt, zou de achterstand van moslims creëren en instandhouden. Eerst politieke vrijheid, zeggen deze liberalen, daarna pas economische welvaart.

Van actuele politieke twistgesprekken terug naar de geschiedenis der ideeën. Was de Verlichting nu voor of tegen religie? Dit is niet zo duidelijk. Neem Immanuel Kant. In zijn belangrijkste werk, 'Kritiek van de Zuivere Rede', toonde hij de waardeloosheid van alle godsbewijzen aan. Over God kunnen we volgens hem niets met zekerheid te weten komen. Toch noemde dezelfde filosoof het een 'plicht van de mens om er een godsdienst op na te houden'; een ongerijmdheid die typisch voor de filosofen der Verlichting genoemd kan worden. Enerzijds wilden ze af van het onnadenkend buigen voor de macht van de geestelijkheid, anderzijds wilden ze voorkomen dat mensen zouden doorslaan, waardoor zij uiteindelijk God noch gebod meer zouden erkennen.

De Duitse dichter Heinrich Heine bespotte deze dubbelzinnigheid:

,,Heeft Kant alle bewijzen van het bestaan van God juist ondermijnd om ons ervan te doordringen hoe riskant het is wanneer we niets over het bestaan van God kunnen weten? Dan zou hij bijna even wijs handelen als mijn vriend uit Westfalen, die alle lantaarns in de Grohnderstrasse had stukgeslagen en vervolgens in het stikdon-ker een lange preek afstak over de praktische noodzaak van straatlantaarns.”

Voltaire wilde het geloof in God evenmin bij het oud vuil zetten. Evenals Kant was hij een theïst die vasthield aan een redelijke of natuurlijke versie van het geloof: ,,Onze leraren schrijven hun eigen waanzin en razernij toe aan God. Daarom is God het tegengestelde van wat zij verkondigen, dus God is heel wijs en heel goed en niet heel dwaas en heel wreed, zoals zij beweren.”

Volgens zowel Voltaire als Kant wordt de ellende op aarde voor een belangrijk deel veroorzaakt door geestelijke tirannen die de vrijheid van denken dwarsbomen. Om te leren denken, geloofden zij, heb je niemand nodig, want denkvermogen heeft ieder bij de geboorte meegekregen. Je hebt alleen een samenleving nodig die dit vrije denken niet onderdrukt. Kant: ,,Voor de Verlichting is niets anders vereist dan vrijheid; en wel de onschadelijkste vrijheid onder alles wat maar vrij'heid mag heten, namelijk de vrijheid om van zijn rede in alle opzichten een openlijk gebruik te maken.”

Dat is Verlichting, schrijft Kant.

,,Het uittreden van de mens uit de onmondigheid die hij aan zichzelf te wijten heeft. Sapere aude! Heb de moed je van je eigen verstand te bedienen!” Verlichting is ook voor Voltaire het overwinnen van de angst die mensen door religieuze autoriteiten is aangepraat. ,,Een Arabier die overigens een goed rekenkundige is, een geleerd scheikundige en een betrouwbaar astronoom, gelooft desondanks dat Mohammed de helft van de maan in zijn mouw heeft gestopt. Hoe komt het dat er iets is spaak gelopen bij deze Arabier die de helft van de maan in de mouw van Mohammed ziet zitten?

Dat komt door angst. Ze hebben tegen hem gezegd dat als hij niet in die mouw zou geloven, zijn ziel, wanneer die onmiddellijk na de dood over de hoge brug zou gaan, voor altijd in de afgrond zou storten.”

Kant en Voltaire zagen de Verlichting kortom als de moed om vrijuit te durven denken. Zij geloofden in een godsdienst binnen de grenzen van het gezonde verstand. Maar de liberalen uit het tweede kamp die zich nu op deze Verlichtingsdenkers beroepen, zitten in een volstrekt andere situatie. De vrijheid van geloven, denken en spreken die voor Kant en Voltaire een middel was om de angstaanjagende macht van de godsdienst te breken, wordt volgens hen nu gebruikt om het geloof in de rede te ondermijnen en om de angst voor het letterlijke woord van God te reïntroduceren. Daarom willen liberalen deze vrijheden nu, paradoxaal genoeg, aan banden leggen of in ieder geval strenger controleren. Zij pleiten voor het sluiten van moskeeën waar haat en onverdraagzaamheid wordt gepredikt en zijn voor het verbieden van boeken die oproepen tot zaken als vrouwenmishandeling, homo-en jodenhaat.

Maar ook zij uit het eerste kamp die het geloof van de moslims alle vrijheid willen geven, en zich daarbij opwerpen als de ware verdraagzame erfgenamen van de Verlichting, doen dat veelal niet uit liefde voor religie, Verlichting of democratie. Zij doen dit omdat zij de strijd tegen de islamisering als neokoloniale arrogantie beschouwen. Zij doen dit, omdat zij anders dan de denkers van de 18de-eeuwse Verlichting, geloven dat economische vrijheid aan politieke vrijheid voorafgaat. Wat dat betreft lijken zij eerder op de kinderen van Marx en Engels dan op die van Kant en Voltaire.

mailIcon print |