Hoewel de meeste Nederlanders zo langzamerhand in buitenwijken wonen, is het een soort onontdekt gebied gebleven. De plannen voor deze buitenwijken worden telkens door de werkelijkheid ingehaald, maar menig architect laat zich niet zo gemakkelijk door de werkelijkheid inhalen. Pieter van Hoexum ging op zoek naar het verschil tussen ontwerp en werkelijkheid. 'Als ik architect was, zou ik daar een studie van maken: hoe een ontwerp - 'een droom' zou je kunnen zeggen - in de praktijk uitvalt, hoe de gebruikers met het gebouwde omgaan.'
Zoals zovelen van mijn generatie - ik ben van '68 - ben ik sinds mijn geboorte talloze malen verhuisd. Om precies te zijn twaalf keer. De eerste twee keer verhuisde ik simpelweg met mijn ouders mee, daarna hadden de verhuizingen steeds een directe, praktische aanleiding (studie, werk, gezinsuitbreiding, enzovoort). Veeleisend ben ik bij mijn woningkeuze nooit geweest: ik zocht eerder een verblijfplaats dan een thuis. Er wordt in verband met woongeschiedenissen als de mijne wel gesproken van 'nomadisch woongedrag', maar dat klinkt mij te exotisch voor het wonen in buitenwijken, want op de een of andere manier kwam ik daar steeds weer terecht, net als de meeste 'nomaden'.
'Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de wijken met portiekflats en later de galerijflats van de jaren zestig en zeventig, vervolgens de woonerven in 'bloemkoolstructuur' uit de jaren tachtig en de wat strakker geplande wijken uit de jaren negentig en ten slotte de volgens de laatste Vinexmode concentrisch aangelegde wijk waar ik in woon.' Hoewel de meeste Nederlanders zo langzamerhand in buitenwijken wonen, is het een soort onontdekt gebied gebleven. De plannen voor deze buitenwijken worden telkens door de werkelijkheid ingehaald, maar menig architect laat zich niet zo gemakkelijk door de werkelijkheid inhalen. Pieter van Hoexum ging op zoek naar het verschil tussen ontwerp en werkelijkheid. 'Als ik architect was, zou ik daar een studie van maken: hoe een ontwerp - 'een droom' zou je kunnen zeggen - in de praktijk uitvalt, hoe de gebruikers met het gebouwde omgaan.'
De meest recente verhuizing was van Duivendrecht naar Purmerend. Om me er een beetje op voor te bereiden las ik 'Een dorp in de polder', de studie die historicus Van Deursen schreef over de nabij Purmerend gelegen dorpen Graft en De Rijp. Als het over grondbezit gaat, concludeert Van Deursen dat het de zeventiende-eeuwse Graftenaren niet om de status ging die grondbezit zou geven, maar dat het een 'uitdrukking [was] van liefdevolle aandacht voor de eigen geboortegrond'. Ook van mijn (voor)ouders kun je nog zeggen dat ze erg gehecht waren aan hun geboortegrond, maar ik ben dat niet meer. Maar ja, ik ben dan ook geboren in een flat, op de bovenste verdieping.
Sinds de verhuizing naar Purmerend kon ik helaas niet meer met de fiets naar mijn werk, in het centrum van Amsterdam. Omdat ik nogal snel misselijk wordt als ik lees in een rijdende bus en toch wilde lezen (ik kan onmogelijk stil zitten zonder te lezen), ging ik meer poëzie lezen, dat kun je immers stukje bij beetje lezen, terwijl je tussendoor steeds even opkijkt. Zo las ik bijvoorbeeld 'Waterstudies' van K. Michel, met daarin het gedicht Vers twee, over het bijbelse scheppingsverhaal, om precies te zijn over de woorden 'tohoe wa bohoe': 'de aarde woest en ledig'.
'at ze moeten aanduiden is onvoorstelbaar
het begin voor het begin, een toestand zo oer
dat mijn buitenwijkverbeelding slechts
tekortschietende vergelijkingen voorhanden heeft
Dat een 'buitenwijkverbeelding' slechts tekortschietende vergelijkingen heeft, zal niemand verbazen, het woord alleen al lijkt een contradictio in terminis. Nu wil echter het toeval dat de buitenwijk waar ik momenteel woon, vlakbij de polder de Beemster ligt en daardoor een vergelijking levert die volgens mij niet tekortschiet. Peter de Zeeuw beschrijft in zijn bijdrage aan het boek 'Concept NL' - een onderzoek naar typisch Nederlandse aspecten in architectuur een stedenbouw -, hoe op 11 januari 1611 de Beemster bijna droog was gevallen en door vijf landmeters voor een nauwkeurige kaart met meetkettingen over het ijs werd ingemeten. 'Het moet een imposant gezicht zijn geweest: de droogvallende, modderige vlakte als een lege, nog ongedeelde ruimte.' Wat die vijf landmeters toen zagen komt heel dicht in de buurt van Genesis 1 vers 2, 'de aarde woest en ledig'.
Ook al heeft K. Michel een te lage dunk van buitenwijkverbeelding, hij formuleert in zijn gedicht wel een prachtig alternatief voor de op de keper beschouwd onzinnige uitdrukking 'nomadisch woongedrag'. In de voorlaatste strofe lukt het hem toch het oergeweld uit Genesis 1 vers 2 voorstelbaar te maken: Misschien is de plotse stuiptrekking die / vlak voor je in slaap valt door je lichaam schrikt / een verre naschok van dat oorspronkelijke geweld. En daaraan knoopt hij tot slot een prachtige conclusie:
Een stuip die zegt:
er is slaap, er zijn dromen
loom drijvende, onder water wiegende
maar gedragen worden wij door geen grond
Purmerend heeft op het moment ongeveer zeventigduizend inwoners, waarvan het merendeel in buitenwijken woont. In vrijwel precies honderd jaar is Purmerend gegroeid van een zeventiende-eeuws vestingstadje tot de huidige forensenplaats. Op de plattegrond van Purmerend zijn de meeste trends in stadsuitbreiding wel zo'n beetje te herkennen: van de arbeidershuisjes van begin twintigste eeuw - met de typerende straatnaam Vooruitstraat - tot de Vinexwijk - met postmoderne, absurde straatnamen als Mambostraat en Yellowstone. Na de Tweede Wereldoorlog kwamen de wijken met portiekflats en later de galerijflats van de jaren zestig en zeventig, vervolgens de woonerven in 'bloemkoolstructuur' uit de jaren tachtig en de wat strakker geplande wijken uit de jaren negentig en ten slotte de volgens de laatste Vinexmode concentrisch aangelegde wijk waar ik in woon.
Hoewel in Nederland zo langzamerhand de meeste mensen in buitenwijken wonen, is het een soort onontdekt gebied gebleven. Zoals veel alledaagse zaken ontsnapt het aan de aandacht van onderzoekers. Het boek 'Buitenwijk' is de uitzondering op deze regel: het vertelt de geschiedenis van het ontstaan van, en de woonervaringen in buitenwijken. De auteurs hebben een verfrissende realiteitszin: 'De concepten van het ruimtelijk beleid worden telkens door de werkelijkheid ingehaald' en 'De werkelijkheid verliep anders'. Deze constateringen vormen de constanten in het boek: plannen zijn al weer achterhaald op het moment dat ze worden uitgevoerd.
Merkwaardig overigens, wat voor status plannen heeft. Grof gezegd: plannen, beleid maken, is toch het eenvoudigste dat er is, het komt aan op het uitvoeren. Merkwaardig ook is de welhaast platoonse gedachte dat de kwaliteit van het plan bepalend is voor de kwaliteit van het eindresultaat, terwijl die, naar mijn 'nominalistische' overtuiging, afhangt van de uitvoering. Nou ja, ze moeten allebei - plan en uitvoering - goed zijn: een uitvoerder zonder plan is blind, maar hij kan ook niet blind vertrouwen op zijn plannen. In zijn recent verschenen boek 'Stadswijk. Stedebouw en dagelijks leven' probeert Arnold Reijndorp, een van de auteurs van 'Buitenwijk', expliciet de stedenbouw te bevrijden van goedbedoelde maar te hoogdravende politieke aanspraken; bestaande stadswijken dienen niet te worden gemoderniseerd (een woord met een enorme ideologische lading), maar eenvoudigweg vernieuwd en verbeterd.
Menig architect laat zich niet zo gemakkelijk inhalen door de werkelijkheid. Wanneer Gerrit Rietveld klachten kreeg over het gebrek aan comfort dat zijn stoelen boden, placht hij volgens de overlevering te zeggen: 'Zitten is een werkwoord'. Voor de bewoners van enkele villa's die Rietveld bouwde, gaat het ongetwijfeld grote genoegen om in een prachtig huis te wonen, gelijk op met kleine ongenoegens. De platte daken, die Rietveld als De Stijl-architect natuurlijk wilde, zonder daklijsten (randjes boven aan de buitenmuren), leveren een hardnekkig probleem op. Rietveld wilde dat de muren 'door zouden lopen', zonder als het ware te stuiten op het dak, al is het maar op een daklijst. Dan ontkom je echter bijna niet aan lekkage. Rietveld wist dat natuurlijk ook, maar, zo zou je kunnen zeggen: wonen is een werkwoord.
Enkele jaren geleden logeerde ik een week in het Bauhaus te Dessau (Duitsland), een kunstacademie naar een ontwerp van Walter Gropius, uit de jaren twintig van de vorige eeuw. Toentertijd was het een revolutionair ontwerp, eigenlijk het eerste gebouw in de zo bekend geworden modernistische stijl met veelvuldig gebruik van beton, staal en glas. In Dessau werden na het Bauhaus nog enkele gebouwen in die stijl gebouwd, die ik ook allemaal bezocht. Maar het meest bijzondere was toch wel dat ik het Bauhaus gedurende een week van binnen uit kon beleven. Na een paar dagen werd het echter erg warm; door het vele glas bleek toen het hele gebouw en zeker de gastenverblijven al een uur na zonsopgang ondragelijk heet en benauwd te worden. De beheerder vertelde dat het 's winters juist weer niet warm was te stoken.
Er zijn in Dessau ook woonhuizen door Bauhaus-architecten gebouwd, er is zelfs een wijkje ('Torten' geheten) te vinden: een flat met woningen en winkels met daarbij een paar straten met woningen in een stijl die wij in Nederland een beetje kennen van 'Betondorp' in Amsterdam. Rondlopend in Torten kon je nog net nagaan wat de architect oorspronkelijk voor ogen moet hebben gestaan: spierwit gepleisterde rijtjes huizen met platte daken, met veel contrasterende hoekige en ronde vormen, sculpturen bijna, en met gemeenschappelijke tuinen. Maar al snel viel me op dat er in de loop van de vijfenzestig jaar die voorbij waren gegaan, veel was veranderd. Ik bezocht Dessau in 1990, vlak na de Wende en moest constateren dat veel DDR-burgers zich behoorlijk individualistisch hadden gedragen door bijvoorbeeld hun huisjes met bloembakken en luiken te verfraaien, uit te breiden met klompenschuurtjes en bijkeukens en door privé-tuintjes aan te leggen.
Als ik architect was, zou ik daar een studie van maken: hoe een ontwerp - 'een droom' zou je kunnen zeggen - in de praktijk uitvalt, hoe de gebruikers met het gebouwde omgaan. Architecten klagen graag over 'wetten en praktische bezwaren' die hun 'dromen en daden in de weg staan', maar ze zouden er beter aan doen te bestuderen wat er van hun dromen is terechtgekomen.
Aan de tentoonstelling 'Sonsbeek 9' leverden twee kunstenaars, Hans Eijkelboom en Peter Spaans, een bijdrage die iets laat zien van dat verschil tussen 'dromen en daden' in de architectuur. Zij maakten een boek met een fotografisch verslag van een busrit dwars door Arnhem, van buitenwijk naar buitenwijk: 'We zijn uitgestapt bij alle 69 haltes, hebben de omgeving bekeken en foto's gemaakt. Onze aandacht was daarbij gericht op twee dingen, de vaste gegevens in een omgeving zoals de planologie en architectuur en daarnaast alles wat ontstaan is door persoonlijk ingrijpen.' Dat resulteerde in een prachtig 'fotografisch essay': op de linker pagina staan foto's van de 'plannen' (de 'structuur') en op de andere pagina het 'individuele ingrijpen'; op de ene helft is steeds een vogelvluchtperspectief gekozen, met af en toe foto's van architectonische details, op de andere helft staan foto's vanuit het gebruikelijke perspectief, dat van een voorbijganger (ooghoogte). Vooral het individuele ingrijpen levert een fascinerende reeks foto's van bloembakken, tuinmeubelen, afvalbakken, schuurtjes, kassen, hekjes, graffiti, zwerfvuil, was, geparkeerde auto's en caravans en wat dies meer zij. De foto's tonen het contrast tussen de plannen en de praktijk.
De Kunsthal in Rotterdam - lange tijd een van de zeldzame in Nederland gerealiseerde ontwerpen van Rem Koolhaas, wereldwijd toch een van de meest spraakmakende architecten van dit moment - lijkt eenzelfde lot beschoren als het Bauhaus en de Rietveld-villa's. Hoe groot het esthetische genoegen ook is, de gebruiker heeft vele redenen tot klagen: het gebouw lekt, de ingang is nauwelijks te vinden, het is moeilijk begaanbaar, als je er de weg al kunt vinden vinden, enzovoort. Ed Taveerne, hoogleraar architectuurgeschiedenis, vindt het maar gezeur: 'Je schrijft ook geen boek of roman om in het gevlei te komen, maar om dingen aan de orde te stellen. Dat is wat Koolhaas doet. Slechts één procent van de bouwproductie is in handen van architecten, en dan mag je ook een statement verwachten' (Parool, 14 december 2001).
Natuurlijk houden architecten van statements en niet van middelmatigheid - maar middelmatigheid geniet bij de gebruikers grote populariteit. Het falen van bijvoorbeeld de hoogbouw in de woningbouw (galerijflat) gaat gelijk op met het succes van het rijtjeshuis. In het boek '6,5 miljoen woningen', verschenen bij een tentoonstelling ter herdenking van het honderdjarig bestaan van de Woningwet (de '6,5 miljoen' in de titel slaat op het huidige aantal huizen, grotendeels het resultaat van die Woningwet) staan daarover twee bijdragen van Joosje van Geest.
Toen het door de voortschrijdende ontwikkelingen in de techniek mogelijk was geworden hoogbouw in de woningbouw toe te passen, zoals dat al gedaan was bij kantoren, reageerden de architecten dolenthousiast. De overtuiging groeide 'dat gestapelde woningbouw het wooncomfort verhoogde dankzij de aanleg van allerlei gemeenschappelijke voorzieningen. [Bijvoorbeeld] een portier, een wasserette, en kinderspeelplaatsen, maar ook centrale verwarming en vuilstortkokers konden op gemeenschappelijke basis worden aangebracht', schrijft Van Geest.
In 1934 werd in Rotterdam de eerste galerijflat ter wereld gebouwd: de Bergpolderflat in Kralingen, van architect Van Tijen. Hoezeer zijn flat ook internationaal de aandacht trok, had Van Tijen een scherp oog voor de problemen en kwam al snel tot de conclusie dat goede hoogbouw te duur zou worden en alleen bereikbaar zou zijn voor 'alleenstaanden of pasgehuwden die een beknopte, goed geoutilleerde woning met relatief hoge huur wilden betalen'. Wij herkennen in de 'alleenstaanden of pasgehuwden' makkelijk yuppen en tweeverdieners. Maar die willen in of vlakbij het centrum van een stad wonen. Achteraf is gemakkelijk te zien hoe mal het was om hoogbouw in buitenwijken te plannen: hoogbouw hoort in het centrum van een stad, daar moet je wel de lucht in omdat je de breedte niet in kunt.
De hoogbouw in buitenwijken was niet alleen misplaatst, ook liepen de kosten van de gemeenschappelijke voorzieningen uit de hand. Dat was precies wat bijvoorbeeld in de 'Bijlmer' misliep: de woningen werden door de gemeenschappelijke voorzieningen veel duurder dan gepland en werden daardoor te duur voor de arbeidersgezinnen waarvoor ze bedoeld waren. En de mensen die het konden betalen wilden er niet of nauwelijks wonen, zodat de Bijlmer een plek werd voor iedereen die elders niet meer terecht kon. In het klein zag ik dat eind jaren negentig in de Groningense buitenwijk Leeuwenborg gebeuren, toen de enorme galerijflat waar ik woonde gesloopt werd om plaats te maken voor rijtjeshuizen. De flat was begin jaren zeventig gebouwd voor gezinnen, maar die waren niet gekomen en op den duur waren de ruime appartementen alleen nog aan groepjes studenten te verhuren. Daar bleek het gebouw niet tegen bestand.
Ondertussen bleek het, na de Tweede Wereldoorlog, mogelijk comfortabele en betaalbare voorzieningen als centrale verwarming en dergelijke in individuele woningen - dat wil zeggen: rijtjeshuizen - te realiseren. Daar kun je 'samen en toch alleen' wonen, terwijl hoogbouw onbetaalbaar werd. Het duurde wel even voordat het falen van de galerijflat doordrong tot de beleidsmakers. Volgens Van Geest verdrongen ambitieuze wethouders elkaar in de jaren zestig, 'met de oplossing van de urgente woningnood hoog in het vaandel', om zoveel mogelijk hoogbouw te realiseren. 'Veel gemeenten wijzigden zelfs hun bestemmingsplannen en verhoogden het percentage hoogbouw en het maximaal aantal bouwlagen.'
Hoogbouw in nieuwbouwwijken, meestal buitenwijken, was verbazingwekkend snel verouderd. Inmiddels worden overal in Nederland dergelijke flats gesloopt. Dat is jammer. Slopen is een gemakzuchtige oplossing. Om het eens therapeutisch te zeggen: de constante druk om mislukkingen uit het verleden uit te wissen in plaats van ze onder ogen te willen zien, lijkt me in het algemeen niet goed, zeker niet in de woningbouw. Pas als alles geprobeerd is en niets geholpen heeft, lijkt me dat slopen zich als laatste optie aandient - zolang dat tenminste niet gepaard gaat met het 'uitzetten van nieuwe beleidslijnen' of 'opstarten van nieuwe projecten'.
Het vele slopen lijkt architecten ondertussen niet uit hun slaap te houden, hoewel het toch het tegenovergestelde van bouwen is. Een architect droomt liever en maakt nieuwe plannen dan dat hij tobt over bestaande gebouwen. Voor menig schilder en schrijver vormen lege vellen papier en lege doeken een nachtmerrie, maar voor menig architect is een braakliggend terrein de ultieme wensdroom. Zo zien zij de aarde het liefst: woest en ledig.
Begin vorig jaar gingen enkele deskundigen in een uitzending van RAM, het kunst-en-cultuurprogramma van de VPRO, in discussie over engagement en architectuur. Eigenlijk ging het meer over 'foute' opdrachtgevers. Op de slotvraag of er zoiets als 'architectenspijt' bestaat, antwoordde architectuurhistoricus Wouter van Stiphout dat dat wel bestaat, maar dan niet in de betekenis van spijt om een bepaald gebouw of een bepaalde aangenomen opdracht - architecten betreuren slechts niet-benutte kansen, opdrachten die ze, om wat voor reden ook, hebben laten lopen. Dat bevestigde perfect mijn vooroordeel dat architecten en beleidsmakers niet om kunnen kijken, maar even optimistisch als blind de toekomst in rennen.
Hoewel, misschien is dat oordeel te hard - stedenbouw is natuurlijk een razend moeilijk, misschien wel onmogelijk, vakgebied. De Franse schrijver George Perec geeft een opsomming van 26 redenen 'Waarom het moeilijk is je een ideale stad voor te stellen'. Ik zou hier het liefst alle 26 willen citeren, maar laat het uit ruimtegebrek bij de twee beste:
Ik woon graag in Parijs maar soms ook niet
Ik zou niet graag in een toren willen wonen maar soms ook wel
Alleen al afgaande op de wispelturigheid van bewoners lijkt het beter niet een ideale stad te ontwerpen, en niet al te drastisch in te grijpen in de bestaande steden.
Architecten die blijven dromen van een schone lei - 'de aarde woest en ledig' - om daarop voor eens en voor altijd de ideale stad te kunnen grondvesten, lijken wel wat op traditionele filosofen die dromen over onze geest als onbeschreven blad. Zij pakken het probleem van de waarheid fundamenteel aan: alle overgeleverde theorieën over de werkelijkheid willen ze tot de grond toe afbreken om daar fundamenten te kunnen leggen waarop de ultieme theorie kan worden opgetrokken. De Oostenrijkse neopositivist Otto Neurath verzette zich tegen een dergelijke 'fundamentalistische' manier van filosoferen en vergeleek onze taak met die van een zeeman die zijn schip moet verbouwen op open zee, zonder dat we kunnen uitwijken naar een veilige haven om in een dok de zaak grondig aan te kunnen pakken.
Een stad is nooit af, we zijn altijd aan het verhuizen... gedragen worden we door geen grond.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.