*

 

Herdenken omwille van integratie? Inmiddels is vergeten dat 4 en 5 mei direct na de oorlog een bijzondere politieke functie vervulden om de volkseenheid te herstellen

J.A.A.van Doorn − 07/05/05, 00:00

Ook zestig jaar na de oorlog blijkt de oorlog niet verdwenen. Overal in ons land, tot in de kleinste plaatsen, werden herinneringen opgehaald, verzetsstrijders geëerd en slachtoffers met weemoed of in bitterheid herdacht. Nog altijd zijn er verhalen te horen die niet eerder werden verteld, ooggetuigenverslagen en foto's die niet eerder werden gepubliceerd. Iedereen krijgt aandacht, alles is welkom.

Dit is de manier waarop de meeste mensen een oorlog herdenken: aan de hand van persoonlijke ervaringen, vermengd met de belevenissen van hun familie, buurt en woonplaats. De stof is onuitputtelijk: het nachtelijke luchtalarm en de lichtspoormunitie tegen de hemel, de voedselbonnen en de fourageringstochten naar de boer, de onderduik, het werken in Duitsland, de laatste Duitsers en de eerste Canadezen. Dramatischer: de weggevoerde buren, bombardementen, evacuatie, verraad, executies.

De neiging deze gebeurtenissen vast te houden door ze vast te leggen was steeds overweldigend. De stroom van herinneringsliteratuur ging door; de stroom van voorstellen tot het oprichten van plaatselijke gedenktekens werd al in 1945 door een Haagse 'monumentenstop' beantwoord. Het liep de spuigaten uit.

De regering ging ook zelf aan de slag. Er kwam een omvangrijke Nationale Monumenten Commissie, samengesteld uit onder meer vertegenwoordigers van het verzet, van vakbonden, kerken en vrouwenorganisaties, alsmede uit ministers, commissarissen van de koningin, burgemeesters en hoge militairen. Het Nationaal 5 mei Comité werd opgericht en een afzonderlijk bureau voor historisch onderzoek, het Rijksinstituut voor Oorlogsdocumentatie (Riod).

Zo ontstond er, ver van de gewone man of vrouw maar warm gesteund door de politieke elite, een prestigieus herdenkings-establishment, als het ware de 'bovenbouw' op de basis van de duizenden kleine initiatieven. Het voornaamste resultaat van dit vroeg ontworpen herinneringsbeleid was afgelopen woensdag op de Dam in Amsterdam voor iedereen zichtbaar: een Nationaal Monument waaromheen de nationale dodenherdenking plaatsvond.

Inmiddels is vergeten dat 4 en 5 mei direct na de oorlog een bijzondere politieke functie vervulden. Achter de herdenking van de oorlog lag een ongeschreven programma dat volkseenheid en saamhorigheid beoogde te verzekeren. Onder verwijzing naar de veelbezongen 'eendracht van het verzet' -die betrekkelijk was- trachtte men de kloof te dichten tussen de uitzonderlijk zwaar getroffen joodse gemeenschap en de andere Nederlanders en de spanning te verminderen tussen teleurgestelde verzetsmensen en op hun post teruggekeerde, niet altijd loepzuivere notabelen. Mooi meegenomen was de kans front te maken tegen de communisten die versterkt uit de oorlog waren gekomen.

Het beoogde nationaal appèl bleek al binnen twee decennia te zijn uitgewerkt. De jonge generatie die in de jaren zestig het woord nam, zag weinig in de patriottische erfenis die hun ouders aan de oorlog hadden overgehouden.

Minstens zo ingrijpend voor het bestaande oorlogsbeeld was de 'ontdekking' van het lot van de joodse Nederlanders die zich aanvankelijk op de achtergrond hadden gehouden maar nu in de publieke aandacht kwamen. Ook andere bevolkingsgroepen meldden zich aan zoals de Indische Nederlanders, die een andere, 'vergeten' oorlog als bittere herinnering met zich meedroegen.

De overheid ondernam een vlucht naar voren. Meer en meer werden de oorlogservaringen in dienst gesteld van algemene morele doeleinden en naar vermogen geactualiseerd. Symptomen van een opkomend neo-fascisme en rechts-extremisme waren een dankbaar onderwerp. Daarmee hing de aandacht voor mensenrechten samen, mondiaal gezien maar ook bruikbaar ter verdediging van de inmiddels zichtbaar geworden multiculturele samenleving. Kortom: de lessen van '40-'45, voorheen vooral patriottische uitgebaat, werden in progressieve zin geherformuleerd.

Inmiddels schrijven we 2005, en weer is het beeld een slag gedraaid. Progressiviteit, zeker in termen van mensenrechten en internationele solidariteit, is passé, patriottisme en nationale saamhorigheid zijn juist weer accepté. Tegelijkertijd echter is de Nederlandse samenleving diep verdeeld geraakt over de manier waarop de allochtonen in ons midden tegemoet getreden moeten worden. De 'volkseenheid' waarover men zich na 1945 zo druk maakte, lijkt opnieuw in gevaar te zijn gekomen. Er is behoefte aan integratiesymboliek. Zie ik het goed, dan is woensdag een poging gedaan de dodenherdenking op de Dam voor dit goede doel in te zetten. Op een andere manier is immmers niet te verklaren waarom allochtone jongeren zo prominent bij de plechtigheid waren ingeschakeld. Men heeft het oude ritueel een nieuwe integratiefunctie willen geven.

Het lijkt mij geen gelukkig initiatief. De verplichting, aan immigranten opgelegd, zich van de Nederlandse geschiedenis op de hoogte te stellen is weliswaar begrijpelijk maar heeft onmiskenbaar iets geforceerds. Demonstratief betrokken worden bij het oorlogsverleden van Nederland doet nog krampachtiger aan: deze jongeren noch hun ouders hebben aan '40-'45 herinneringen die in de herdenking passen.

Er is een algemener bezwaar. De herdenking op 4 mei blijkt als nationaal ritueel volledig geaccepteerd en gewaardeerd. Het is daarom onnodig te proberen er een nieuwe, 'eigentijdse' invulling aan te geven. Het is ook storend. 4 mei is het enige moment in het jaar dat intensief wordt herinnerd aan de schokkendste jaren die de moderne geschiedenis van Nederland kent. Laat die herinnering intact.

mailIcon print |