Nu de rouwperiode voor de aanslag op een school in Beslan, Ossetië, is afgelopen, vrezen de autoriteiten voor wraakacties. De etnische haat in het traditioneel roerige Ossetië kan op elk moment overkoken.
TSJERMEN, BESLAN - Vitali, een sterke jonge vent in een oude legerjas, trekt met zijn vinger een veelzeggende streep over zijn keel. ,,Ik snijd persoonlijk iedere Ingoesjeet de keel af”, snauwt hij, en hij spuugt kwaad op de grond.
De woede in Beslan over de gijzeling is als een borrelende geiser, die elk moment kan gaan spuiten. Onder de al geïdentificeerde dode terroristen waren twaalf Ingoesjeten, negen Tsjetsjenen, twee Russen en twee Arabieren. De graffiti in de school spreekt boekdelen. 'Tsjetsjenen en Ingoesjeten: wat hebben we aan zulke klotebroeders', staat er op de muren van een klaslokaal.
,,Helemaal mee eens”, vinden Timoer en zijn vrienden, die in de Schoolstraat rondhangen. Met hun wapens vochten zij op 3 september tegen de terroristen in de school. ,,We kunnen geen heel volk als schuldige aanwijzen, maar zo werkt het hier. We zijn al eeuwen vijanden. Die terroristen hebben tenslotte bases in hún midden”, aldus Timoer. Zijn vriend Kostja bromt: ,,Iemand als Stalin hebben we nodig.”
Nu de officiële rouwperiode van veertig dagen is afgelopen, zijn de autoriteiten in NoordOssetië extra alert. Op iedere straathoek in Beslan staat een politieauto. Op de wegen en in de dorpen is dag en nacht patrouille.
Onder de Ingoesjeten in het dorp Tsjermen, bij de Ingoesjetische grens, is de angst groot. Jakov Barkinchojev staat met wat familie op straat te kletsen. Een koe sukkelt door de modder, dichtbij klinkt gehamer. ,,We zagen de gijzeling op tv en huilden. Het zijn immers onschuldige kinderen. Maar sindsdien zijn de blikken van onze Osseetse dorpsgenoten veranderd. Van twee kilometer afstand lees je de verwijten”, zegt Jakov.
VERVOLG OP EUROPA/WERELD 5
VERVOLG VAN PAGINA 1
'Ik bouw een huis, en nu blijf ik hier'
OSSETIü
Jakov Barkinchojev begrijpt de haatgevoelens niet. ,,Wat willen ze nu? Toch niet die geweren waarmee ze hun eigen kinderen bevrijdden op ons richten? Wíj hebben de terroristen niet gestuurd.”
,,Onze kinderen zouden op 1 september samen met de Osseetse kinderen in het dorp naar school”, vertelt de oude Alisa Barkinchojeva. ,,Dat had onze regering bedacht. Maar ze zijn weggejaagd.” Buurjongen Nazir zegt:
,,De leraressen scholden ons uit. Nu wil ik niet meer naar school.” Alisa verloor haar man in 1992.
,,We vluchtten voor het geweld en toen ik terugkwam was hij er niet meer. Ik heb zelfs zijn lijk nooit teruggevonden.”
Beslan ligt op de rand van het Prigorodni-district, dat Stalin aan de Osseten gaf na de deportatie van de Ingoesjeten en Tsjetsjenen (zie onderkrant). In 1992 ontbrandde tussen de Ingoesjeten en Osseten een felle driedaagse oorlog om het gebied, die 600 doden meer dan 30 000 mensen vluchtelingen veroorzaakte. De strijd begon in enkele etnisch gemengde dorpen zoals Tsjermen en Kartsa, vlakbij de grens met Ingoesjetië.
In de herinnering van de meeste Ingoesjeten uit Tsjermen begon het conflict in 1992 met de komst van het Russische leger. De Barkinchojevs vertellen hoe de tanks oprukten vanaf de Osseetse hoofdstad Vladikavkaz. De Osseten in het dorp vertellen het andere verhaal, hoe de Russische troepen het dorp moesten bevrijden van enkele honderden Ingoesjetische bandieten die de Osseetse mannen ontvoerden. Om hun eigen mensen los te krijgen namen de Osseten daarop honderden Ingoesjeten mee.
Tamik Tsachilov houdt stil bij een monument op een asfaltpleintje. ,,Hier stond destijds het politiebureau dat de overvallers als eerste omsingelden”, vertelt Tamik, een Osseet geboren in Tsjermen. De agenten weigerden zich over te geven, en er brak een vuurgevecht uit. Tamik wijst op de marmeren steen met 39 namen, waaronder die van een familid. ,,Alle agenten kwamen om en de chef sleepten ze dood achter een auto door de straten.”
Tamik en zijn familie waren op die zaterdagochtend thuis en hoorden de schoten. ,,We wisten: dit is mis. Even later bonkten de bandieten op onze poort. Mijn vader was directeur van een mijn in Norilsk, we hadden het goed. Ze namen mijn vader mee, mijn broer en mij, drie auto's en alle spullen. We belandden in de staatsgevangenis van de Ingoesjetische hoofdstad. Het was duidelijk een overval die van bovenaf werd gestuurd.”
Tamik en zijn broer kwamen na een paar dagen vrij tegen losgeld. Zijn vader werd pas na een half jaar geruild tegen zes Ingoesjeten. ,,Hij was zwaar mishandeld”, zegt Tamik en vervolgt fel: ,,Ik heb nooit meer met mijn Ingoesjeetse buren gepraat, we zijn vertrokken uit Tsjermen. Ik haat ze niet, maar ik begrijp de haat niet die die Ingoesjeten tegen ons Osseten koesteren, van vader op zoon doorgeven. Waarom zijn ze anders zo tekeer gegaan in Beslan?”
De Barkinchojevs zijn bang voor wat komt, maar denken niet aan vluchten. Jakov: ,,Wie zit op ons te wachten? Ingoesjetië ook niet. Nadat we in 1957 terugkeerden uit deportatie woonden we op deze plek in een kuil. Mijn vader bouwde een huis voor ons, maar dat brandde af in 1992. Nu bouw ik een huis. Ik blijf hier.”
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.