Tony Blair mocht gisteren als eerste Labour-premier ooit aan een derde regeertermijn beginnen. Met een sterk gekrompen meerderheid.
,,Meneer Blair, dit is voor Irak! Voor alle mensen die u heeft gedood, alle leugens die u heeft verteld.'' De overwinning van George Galloway in Noordoost-Londen zal altijd in de herinnering blijven als een van dé symbolen van de Britse parlementsverkiezingen van 2005.
Galloway was tot twee jaar geleden een Labour-Lagerhuislid op de uiterste linkervleugel van zijn partij. Toen hij buiten de deur werd gezet vanwege zijn al te agressieve verzet tegen de oorlog, richtte hij een eigen partij op. De campagne tegen Labour die hij de afgelopen weken voerde in een kiesdistrict vol moslims, was de felste van allemaal. Zijn succes beschouwt Galloway als een onderstreping van zijn gelijk en van het ongelijk van Blair.
De kwestie-Irak heeft de premier in het stemhokje pijn gedaan, hij gaf het donderdagnacht zelf toe. Goed, Blair had op zijn 52ste verjaardag de historische derde regeringstermijn binnen die hem op hetzelfde eenzame niveau tilt als die andere legende Margaret Thatcher. Opnieuw blijkt de economie de doorslaggevende factor tijdens verkiezingen. Een meerderheid van ongeveer 66 zetels betekent een ruime halvering ten opzichte van vier jaar geleden, maar nog altijd 22 meer dan de meerderheid waarmee Thatcher in 1979 haar 'Conservatieve revolutie' begon.
Maar Blair schrijft ook geschiedenis op een manier die hem aanzienlijk minder plezier zal doen. Een stemmenpercentage van zo'n 36 procent bij een opkomst van ruim zestig betekent dat nog geen kwart van de totale kiesgerechtigde bevolking donderdag voor de regering van de komende vier jaar heeft gekozen. Dat roept legitimiteitsvragen op die vergelijkbaar zijn met die rond president Bush in 2000.
De oppositieleider, Michael Howard van de Conservatieven, vierde de uitslag voor zijn partij als 'een belangrijke stap op weg naar herstel'. Maar één blik op cijfers leert dat hij ook nauwelijks reden heeft om te juichen. Ten opzichte van rampjaar 2001 hebben de Tory's feitelijk geen winst geboekt. Dat zij toch ten minste 31 zetels extra krijgen, is vooral een bewijs van de merkwaardigheden van het Britse kiesstelsel.
Het algehele beeld is dat Labour terrein heeft verloren, maar dat de proteststemmen verschillende kanten op zijn gevlogen. Het meest profiteerden de Liberaal-Democraten. Maar hun sprongetje van 19 naar ruim 22 procent was te beperkt om werkelijk te kunnen spreken van de definitieve doorbraak van een 'drie-partijenstelsel', zoals de Liberaal-Democratische voorman Charles Kennedy gisteren probeerde.
Blair beloofde gisteren goed naar alle kritiek in het land te zullen luisteren. Hij kan moeilijk anders. Zijn sterk gereduceerde meerderheid betekent dat hij de komende jaren niet langer omstreden plannen kan doordrukken zoals de invoering van identiteitskaarten. Hij zal met name compromissen moeten sluiten met de linkse dissidenten binnen zijn eigen partij. Het Lagerhuis krijgt daarmee wat welkome slagkracht terug.
En toch lijkt het weer Labour te zijn dat de meeste reden heeft voor optimisme. De belangrijkste reden heet Gordon Brown, de huidige minister van financiën. Blair leunde tijdens de voorbije campagne al zwaar op de man die als geen ander verantwoordelijk wordt gehouden voor het Britse economische succesverhaal.
De verwachting is dat Brown het stokje ergens tijdens de komende rit definitief zal overnemen. De vraag is alleen wanneer. Deze machtswisseling zou Labour een unieke kans geven om de frisse 'doorstart' te maken die dringend gewenst is na acht jaar regeringsverantwoordelijkheid en de bijbehorende slijtageverschijnselen.
De directe concurrentie mist zo'n goedbezette reservebank ten enenmale. De 63-jarige Michael Howard vertelde gisteren dat hij zo snel mogelijk terug wil treden, maar achter hem gaapt een groot gat.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.