Regeren zonder adviescommissies lijkt onmogelijk. Inzicht krijgen in de beloning van leden van dergelijke commissies kennelijk ook.
Al in 2003 verzuchtte minister Remkes in een brief aan de Kamer dat het moeilijk was inzicht te krijgen in alle vergoedingen. De commissie-Pavem, die onder leiding van oud-politicus Paul Rosenmöller het kabinet adviseert over de integratie van allochtone vrouwen, is bij lange na niet de enige vaste of tijdelijke adviescommissie voor het kabinet. Het laatste overzicht van het ministerie van binnenlandse zaken dateert van mei 2003 en telt 146 adviesraden en -commissies.
Sindsdien zijn er commissies opgeheven, maar ook bijgekomen. De commissie van de oud GroenLinks-leider Rosenmöller staat bijvoorbeeld niet op de lijst (de commissie werd na het overzicht ingesteld). En afgelopen woensdag werd er nog een nieuwe commissie ingesteld: de commissie-advocatuur, die minister Donner van justitie voor eind 2005 moet adviseren over 'de rol en positie van de advocaat in het Nederlands rechtsbestel'.
De woordvoerder van Donner, gealarmeerd door de publiciteit rond de vergoeding van Rosenmöller van 70000 euro per jaar voor een dag werk per week, had woensdag een briefje op zijn bureau liggen met de vergoeding voor de leden van de splinternieuwe commissie rond de advocatuur. Zij krijgen per vergadering een zogeheten aanwezigheidsvergoeding van 186 euro voor de voorzitter en van 124 euro voor de leden.
De snelle duidelijkheid die Justitie kan geven, lijkt een uitzondering. Sociale Zaken, opdrachtgever van Rosenmöller, wist echter na een dag intern beraad te melden dat ze eerst eens zelf inzicht willen krijgen in het eigen bezoldigingsbeleid, voordat ze een reactie geven.
In 2003 concludeerde minister Remkes van binnenlandse zaken, na een evaluatie van het bezoldigingsbeleid rond adviescommissies, dat 'een groot aantal van de bij het adviesstelsel betrokken diensten van ministeries niet altijd voldoende zicht hebben op de vergoedingen, die zij aan voorzitters van leden van adviescolleges verstrekken in relatie tot de tijdsbesteding voor hun advieswerk en de kwaliteit daarvan'.
De informatie daarover moet worden verbeterd, stelde Remkes twee jaar geleden. Of dat advies is overgenomen, kon Binnenlandse Zaken afgelopen woensdag niet zeggen.
Opvallend is wel dat Remkes in diezelfde brief ook meldde dat diverse ministeries de behoefte voelden om de vergoeding voor adviseurswerk te verhogen.
Aanvankelijk was de vergoeding gekoppeld aan die van plaatsvervangend raadsheren en plaatsvervangend rechters, zeg maar de justitiële oproepkrachten. Die vergoeding ging in 2003 wel omhoog, de normbedragen voor advieswerk niet.
Remkes pleitte ervoor die ook te verhogen. Hij gebruikte daarvoor overigens een argument dat altijd wordt gebruikt voor verhoging van de salarissen van topmensen bij bedrijven. Om de goede mensen aan te trekken, moet er wel een concurrende (marktconforme) prijs betaald worden. Tegelijkertijd relativeert Remkes de noodzaak hiervan, omdat er volgens hem geen signalen zijn dat voor adviescommissies geen kandidaten te vinden zijn.
Het vergoedingenbeleid bij de rijksoverheid is op zijn minst tweeslachtig. Enerzijds is er de drang om zoveel mogelijk gelijk te belonen en geen verschillen tussen ministeries te laten ontstaan (vandaar de afspraak in het kabinet om maximaal het salaris van een hoogleraar, rond 7000 euro per maand te betalen). Anderzijds moet er 'maatwerk' zijn en zijn ministers vrij om hun eigen beleid te maken.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.