Bram Tankink (26) van QuickStep doet in Trouw regelmatig verslag van zijn ervaringen in zijn eerste Ronde van Frankrijk.
Al mijn botten staan weer op hun plaats. De rustdag heb ik benut om me te laten behandelen door een manueel therapeut. Hij heeft mijn bekken rechtgezet. Daar ben ik zondag, in de afdaling van de Col du Portillon, hard op gevallen. Het zicht werd me ontnomen door een auto en paf, ik viel plat op mijn heup.
Ik moest van fiets wisselen. Daardoor kwam ik achter de laatste bus renners terecht. Ik had het helemaal gehad. Eerst die ellende met dat hoesten, ik was al naar kloten, en dan ook nog vallen. Ik had pijn aan mijn linkerbeen, zat scheef op de fiets. Het zadel van mijn nieuwe fiets stond niet goed. Servais Knaven wachtte op me. Ik zei: ik kap ermee. Kom op, zei hij, we proberen het.
Met veel pijn en moeite heb ik me kunnen handhaven in de bus. De stemming daar was niet vrolijk. Afzien in de laatste groep is veel erger dan afzien als je voorop rijdt. Er fietsen alleen maar dooie mannen om je heen. We moesten hard doorrijden om op tijd binnen te komen. Gelukkig ben ik op de laatste col veel geduwd. Als de ene Bask moe was, stond er al een andere klaar.
Nederlanders staan maar een beetje aan de kant en denken: 'o, leuk zo'n wedstrijdje'. Basken zijn anders. Beloki en die jongens van Euskaltel hebben geen trap hoeven doen.
Duwen mag niet, maar de jury heeft zondag een grote hand voor de ogen gehouden. Terecht. De organisatie heeft zich vergaloppeerd met zo'n zware rit. Of je er nu zes of drie bergen inlegt, de strijd ontbrandt toch pas op de laatste col. Ze verwachten van ons professioneel gedrag, is het dan nodig dat mensen zich zo uit de haak moeten fietsen?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.