Paul Biegel (Bussum, 1925) debuteerde in 1962 met het boek 'De gouden gitaar'. In 1965 won hij met 'Het sleutelkruid' de prijs voor het beste kinderboek van het jaar. Sindsdien won hij vier Zilveren en twee Gouden griffels, de Staatsprijs voor Kinder- en Jeugdliteratuur, de Nienke van Hichtumprijs en tweemaal de Woutertje Pieterse prijs. In 2004 schreef hij het kinderboekenweekgeschenk 'Swing'.
I
GIJ ZULT DE HERE UW GOD AANBIDDEN EN HEM LIEFHEBBEN MET GEHEEL UW HART, GEHEEL UW ZIEL EN MET AL UW KRACHTEN
,,Ik weet nog dat ik op een dag voor het raam stond en dacht: Verbeeld je dat het allemaal niet waar is: God, Jezus, Maria, Antonius, de hele santenkraam, stel je nou eens voor dat er niets van klopt. Ik heb nog geprobeerd het tegen te houden -zo mag je niet denken!- maar het was te laat, de boel ging schuiven, er was geen houden meer aan. Het viel als een loden last van mij af. We waren thuis reuze katholiek -tot in mijn huwelijk ben ik heel devoot geweest- maar daarna ging ik aan de fundamenten van het huis morrelen en ik heb net zo lang gemorreld tot het, whap!, in elkaar stortte. Eerst was ik bang dat ik, zonder geloof, tot allerlei slechtigheden zou vervallen; dat ik brand zou gaan stichten, dat ik zou gaan moorden of plunderen, maar er gebeurde niets. Ik begreep ineens dat dit ook niet de kwintessens van het geloof kon zijn. En in plaats van God, die erop lette dat ik zijn geboden niet overtrad, kwam een ongelooflijk besef van een grootheid waar alles uit is voortgekomen. Wij maken het antropomorf, wij hebben kennelijk een menselijke gestalte nodig die zich met ons bemoeit, maar ik zag, toen ik uit die gevangenis, uit dat keurslijf ontsnapte, hoe ik voor mezelf moest denken. Over mezelf, over anderen, over het Al. Tóen zag ik pas hoe klein ik was; een deeltje van een immens geheel. Iets waar je met je verstand af moet blijven, iets waar je alleen maar in bewondering, met ontzag, naar kunt kijken. Ja, je zou kunnen zeggen dat ik, door er uit te stappen, pas tot het ware geloof ben gekomen.''
II
GIJ ZULT DE NAAM VAN UW HEER UW GOD NIET ZONDER EERBIED GEBRUIKEN
,,Sorry to say, maar hier til ik niet zo zwaar aan. Een vloekje hier of daar staat toch in geen enkele verhouding tot het wonder van de schepping? Kijk eens naar zo'n lijf, hoe dat functioneert, met longen, lever en weet ik wat allemaal - hou nou toch op zeg! Of probeer eens een mug na te maken! Het formidabele van de schepping kan door geen mens aangeraakt, of belachelijk worden gemaakt. Met het wezenlijke valt niet te spotten. Weet je wat mijn moeder altijd zei? Ze zei: 'Hoogmoed is de grootste zonde'. En ik geloof dat ze daar gelijk in had.''
III
GIJ ZULT DE DAG DES HEREN HEILIGEN
,,Op zondag werk ik ook. Niet zo veel meer hoor, een paar uurtjes en dan is 't klaar. De rest van de dag speel ik pensioeneertje. Wat een pensioeneertje doet? Die kuiert door de stad en kijkt.''
IV
EER UW VADER EN UW MOEDER
,,Ik geef nog steeds gehoor aan dit gebod door te bedenken dat ze mij het leven hebben gegeven. Het zijn goede, eerzame mensen geweest, een voorbeeld om te volgen. Ze boden een veilig tehuis voor hun negen kinderen. Ze waren zorgzaam, maar hadden er ook plezier in. Mijn ouders gingen zelden 's avonds uit. We hadden vooral veel mensen over de vloer: familie, vrienden, buren. Ik heb een herinnering aan een geborgen jeugd. Liefdevol, zeker, al kon ik met mijn moeder niet goed opschieten -zeker als puber niet- maar dat is een fase geweest en als ik nu op het geheel terugkijk, zie ik vooral die zorgzaamheid voor me. Dan voel ik vooral eerbied en dankbaarheid jegens mijn ouders. Ik ben er trots op hun kind te zijn, al begrijp ik heel goed dat het geen wet kan zijn dat iedereen zijn ouders eert. Kijk, hier heb je ze. Vind je het geen prachtige foto? Ze hadden een uitzonderlijk goed huwelijk, die twee. Toen mijn vader door een beroerte werd getroffen, heeft mijn moeder hem, negen jaar lang, thuis verpleegd. Alleen in het laatste jaar heeft ze hulp gekregen. Ik was dertien toen hij die beroerte kreeg, hij heeft daarna alleen nog als een kindse patiënt bij ons in huis gewoond. Je hebt gelijk, ik heb in die zin niet veel aan mijn vader gehad. Eerst waren er natuurlijk die acht andere kinderen. Die boeiender -want ouder- waren. Ik kan me overigens wel herinneren dat hij ooit eens met mij is gaan vissen. Goed, ik wil best toegeven dat ik een vader heb gemist, maar dat is iets wat mijn verstand mij influistert. Begrijp je? Ik kan mij helemaal niet, op enige zinnige wijze, voorstellen hoe het anders zou zijn geweest. Mijn vader was een handelsman. De crisis van '29 heeft hem genekt. Als dat niet was gebeurd, zou zoveel anders zijn verlopen; daar kun je eindeloos over speculeren. En dat is irreëel omdat je maar één leven hebt gehad. Alternatieven spelen geen rol. Ik ben ervan overtuigd dat het enige wat je te doen staat is: je talenten gebruiken. Ik herinner me een uitzending van Barend & Van Dorp waarin Marten Toonder te gast was. Op een gegeven moment werd hem een vraag voorgelegd in de sfeer van: 'Wat stond u voor ogen in dit leven?' Toonder dacht even na en zei toen: 'Wat er in zat zoveel mogelijk te exploiteren, zonder oordeel over de kwaliteit of het nut daarvan'. Die toevoeging vond ik schitterend: zonder oordeel over de kwaliteit of het nut daarvan. Dat onderschrijf ik volledig. Haal er uit wat erin zit, of je postzegels verzamelt of straten veegt is volstrekt irrelevant. Ik heb natuurlijk het verschrikkelijke geluk dat ik kinderboekenschrijver ben: in mijn genre is iemand niet goed of minder goed. Dit ben ik. Niemand kan beter Paul Biegel zijn dan ik.''
V
GIJ ZULT NIET DODEN
,,Mijn zoon was een ongelooflijk levenslustige jongen. Tot op het gekke af - en het werd eigenlijk alleen maar erger. Himmelhoch jauchzend, dann zum Tode betrübt. Ja, manisch. Als ik terugdenk aan die tijd, zie ik wel dat het er altijd in heeft gezeten. In de vakantietijd, juni, juli, zag ik hem ineens, letterlijk, dof worden. Ik zag het voor mijn ogen gebeuren. Hij had nergens zin meer in. Ik herinner me dat ik op een dag voorstelde naar Parnassia, dat strandpaviljoen, te gaan. Ik hoor nog zijn voetstappen naast me op het asfaltpad dat door de duinen leidt, tadam, tadam, tadam. Het klonk zo vreselijk desolaat, ik kon hem niet bereiken. Kort daarna kwam hij langs en vertelde dat hij niet meer wist hoe hij verder moest. Hij was al achtentwintig, woonde met zijn vriendinnetje op kamers. Ik vroeg: 'Wil je bij je haar weg, Arthur?' Nee, dat was het niet. 'Wil je misschien naar Japan, een nieuw leven beginnen?' Nee, nee, nee, hij wou niets. Ach, jongen toch. 'Zal ik je iets voorlezen?' Goed dan. Toen heb ik een verhaal van Grimm voorgelezen. Zo heb ik hem bejegend; ik heb hem geprobeerd te helpen, maar ik wilde hem ook met rust laten. Misschien heb ik het helemaal verkeerd gedaan, ik weet het niet. Op een avond -ik logeerde bij vrienden- heeft hij, hier thuis, in zijn oude slaapkamertje, een eind aan zijn leven gemaakt. Het klinkt misschien gek, maar ik ben blij dat hij niet op een of andere manier is 'gered' en in psychiatrische handen is gevallen; dat hij niet zo'n man is geworden die met pillen overeind wordt gehouden. Of een drugsverslaafde van wie ik zou weten dat hij nu ergens, weet ik waar, zou rondzwerven. Nee, dit is wel clean, vind ik. Hij nam een weloverwogen beslissing. Hij is ervanaf. Ik weet nog wat ik dacht: Nou jongen, jij dood? Dan zal ik voor jou ook leven, dan leef ik voor twee. Natuurlijk, ik mis hem -ik zit nog regelmatig te snikken- maar ik ben ook trots op die zoon van mij, dat hij dit heeft durven doen.''
VI
GIJ ZULT GEEN ONKUISHEID DOEN
,,Onkuis was voor mij: het fijn vinden om bloot te zien en ik begreep, van mijn moeder en de priester, dat zoiets helemaal verkeerd was. Ik herinner mij dat mijn moeder een keer tegen mij zei: 'We hebben onze gebreken gekregen om ze te bestrijden'. Dat was heel vroom bedoeld, maar ik dacht, met een kinderlogica die me nog lang is bijgebleven: O, dáárom vind ik het zo leuk! Omdat het niet mag. Mijn moeder kwam uit een heel religieus gezin: twee van haar zussen waren dominicanessen en een broer werd dominicaan. Het liefst zag ze zoveel mogelijk van haar eigen kinderen non of pater worden. Twee van mijn zusters zijn uiteindelijk non geworden, maar ik zag er helemaal niets in om een zwart pak te dragen, in de pastorie te wonen en de hele dag de biecht te moeten horen. Ik wou niet binnen zijn. Ik speelde de hele dag in de tuin, of bij de boerderij achter ons huis. Slootje springen, kikkervisjes vangen, noem maar op. Ik vond school verschrikkelijk omdat school me weghield van dat leven. Maar ja, ik was een braaf jongetje. Gedwee. Bangig. Eigenlijk ben ik dat nog steeds. Een bang jongetje van tachtig. Wat mij zo bang maakt? Ha! Daar zoek ik al tachtig jaar naar. Ik weet het niet, ik weet het niet. Ik was de jongste van negen kinderen, mijn oudste zusje was 22 toen ik werd geboren dus je zou kunnen zeggen dat ik tussen volwassenen ben opgegroeid. Mijn wereld werd bevolkt door grote mensen, grote mensen die mij zomaar konden vermorzelen. Iemand heeft eens tegen mij gezegd: Bang zijn betekent niet dat je niet dapper kunt zijn. Het is zelfs zo dat je niet dapper kunt zijn als je geen angst kent. Dus, dapper zijn wil zeggen: je angsten overwinnen. Dat is iets wat ik elke dag opnieuw doe. Nee, ik ben niet bang voor mensen, zo gespecificeerd is het niet. Ik ben, bij wijze van spreken, bang voor de lucht die ik inadem. Ik leef nu heel vrolijk en plezierig hoor, maar er is toch altijd een basis, een soort achtergrondruis als in het heelal, ja, het is de God uit mijn jeugd, straks maakt Hij korte metten met mij. Ik heb nog lang gedacht dat ik, als ik onder een tram zou komen en voelde dat ik dood zou gaan, zou roepen: 'Een priester! Een priester!', maar daar begin ik langzamerhand op terug te komen. Ik ben nog wel bang voor de dood, maar ik geloof niet dat ik straks voor een God moet verschijnen die roept: 'Weg jij, naar de hel!' Als ik nu, zo af en toe, midden in de nacht een hartklopping heb, is het enige wat ik denk: Laat ik er maar een beetje netjes bij gaan liggen. Dat is wel zo prettig voor de mensen die mij vinden.''
VII
GIJ ZULT NIET STELEN
,,In de oorlog gapte ik worteltjes, die voor de gaarkeuken bestemd waren, van het veld. Koud zeg, die ingekuilde worteltjes, poeh, ik voel het nóg aan mijn vingertoppen, maar nu, nee het komt niet in me op om ergens iets weg te pakken. Al moet ik zeggen dat ik de verleiding waarschijnlijk minder goed zou kunnen weerstaan als ik een lamme arm en een uitkerinkje had. Het is nogal makkelijk om te zeggen dat ik niet zal stelen; ik heb ook helemaal niets nodig. Weet je wat ik nog wel eens zou willen doen? De Nederlandsche Bank, met cunning, van al haar goudstaven beroven! Ja, dát vind ik wel iets. En dan zou ik ze, de volgende dag, in een jutezak, weer bij de voordeur zetten.''
VIII
GIJ ZULT TEGEN UW NAASTE NIET VALS GETUIGEN
,,O nee, het is zeker niet zo dat ik verhalen verzin omdat de werkelijkheid mij niet mooi genoeg is. Er is helemaal geen reden, er is alleen een drang. Wat ik schrijf is de neerslag van de waarheid zoals zij niet op het eerste gezicht wordt waargenomen, het is - och, moet je horen, ik heb eens een schitterend essay gelezen van Idris Parry, een Engelse professor, dat handelde over Kafka, Rilke en Repelsteeltje. Eerst het verhaal: Repelsteeltje kan van stro goud maken. Hij komt uit een oord waar zoiets volstrekt onbelangrijk is; goud of stro, het is hem om het even. Hij wil een vrouw helpen om de gunst van de koning te winnen, maar vraagt wel om haar eerstgeborene. Ze stemt toe, trouwt de koning en krijgt een kind. Dan eist het mannetje de baby op. De vrouw bidt en smeekt, het mannetje zegt: 'Oké, één kans, je moet mijn naam raden.' Een onmogelijke opdracht, maar wat gebeurt? Een van moeders bodes
passeert bij toeval het kereltje dat om een vuurtje danst en roept: 'Niemand weet dat ik Repelsteeltje heet!' En dan schrijft Parry: 'Dit verhaal, dat raden van de naam, komt in zo verschrikkelijk veel culturen voor; daar moet een diepgevoelde waarheid in zitten'. Dat is een uitspraak naar mijn hart. Ergens anders schrijft hij: 'Ik geloof in het onmogelijke', in onze context van dit leven lijkt het een toevalligheid dat de bode langs het vuurtje van Repelsteeltje loopt, maar dat ís het natuurlijk niet. Wij zien de verbanden niet, maar ze zijn er wel'. Ik geloof dat dát de bron is van waaruit ik schrijf.''
IX
GIJ ZULT GEEN ONKUISHEID BEGEREN
,,Hoe kun je nou een begeerte uit je kop zetten? Dat is toch een lachertje! Maar dat neemt niet weg dat ik van alles heb geprobeerd van mijn liefde voor mannen af te komen. Het besef dat ik van heren hield kwam in een tijd waarin zoiets nog ontzettend beladen was. Mag niet! Zonde! Ik voelde me ook een heel slecht mens, ik bezocht psychiaters, ik wou ervanaf. Toen ik mijn vrouw ontmoette, heb ik open kaart gespeeld. Ik zei dat ik graag kinderen wilde, maar dat ik ook van heren hield. Ze schrok zich rot, maar durfde het toch met mij aan. De eerste tien jaar ging het goed, we kregen twee kinderen en we hadden het prima samen, maar uiteindelijk was het toch niet vol te houden. Ik maakte steeds meer uitstapjes; op een gegeven moment was het wel duidelijk dat ik niet meer te hebben was voor haar.
Op een dag vertelde ze mij dat het zo niet verder kon. 'Ik moet eruit', zei ze, 'ik moet gaan'. En dat heeft ze gedaan. Ik had daar alle begrip voor. Wij zijn, zoals dat heet, als vrienden uit elkaar gegaan.''
X
GIJ ZULT NIET BEGEREN WAT UW NAASTE TOEBEHOORT
,,Ik heb al zoveel! Waarom zou ik jaloers zijn op - wat zeg je, op heteroseksuelen? Ja, daar heb je wel een punt. Als ik vroeger een stel lekker zag zoenen op een bankje, dacht ik: waarom mag ik dat nou niet?
Heteroseksuelen hoeven zich zelden iets over hun neigingen af te vragen, terwijl ik dat, bij wijze van spreken, nog iedere dag doe. Het schijnt dat je wordt doodgeslagen als je zoiets in deze tijd zegt, maar ik blijf homoseksualiteit een rare afwijking vinden. Of, laat ik het zo zeggen: ik vind het vooral lichamelijk zo mal. Het is toch alsof je eten in je oor stopt? Ja! Wie doet dat nou? Als ik opnieuw mocht leven, zou ik dezelfde achtergrond kiezen, met dezelfde ouders, maar ik zou ook een normale seksbegeerte kiezen, die uitvoerbaar is met een vrouw die, net als ik, het liefst heel veel kinderen had gehad. Ja, ik had graag de situatie uit mijn jeugd na willen spelen, absoluut. Dat is me niet gelukt. Ik ben eigenlijk het grootste gedeelte van mijn leven ongelukkig geweest, maar ik moet je wel zeggen dat ik de laatste vijf, zes jaar, reuze happy ben. Ik woon hier fijn, heb lieve vrienden en vriendinnen, mijn werk gaat lekker, de heftigheid van de seksdrift neemt af - dat scheelt ook een hoop gedoe. Nu ik erover nadenk, geloof ik dat ik misschien zelfs nog nooit zo happy ben geweest als nu. Dat komt waarschijnlijk omdat ik ten slotte heb leren aanvaarden dat het zo in elkaar zit. Het is zoals het is. Zo! Is dat geen mooi slot? Maar wacht eens even, hebben we alle geboden nu gehad?''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.