*

 

Zien omdat er licht is

Annewieke Vroom − 16/08/04, 00:00

Wijsbegeerte gaat over de grote vragen van het bestaan. Maar wat het je eraan in het leven van alle dag? Over de bruikbaarheid van de filosofie. Vandaag: Arie Bos, huisarts.

'In de jaren zestig vroeg iemand me waarom ik aan een studie medicijnen was begonnen. Ik zei: dat is de snelste manier om de mens te leren kennen. Het politiek correcte antwoord luidde in die tijd: om mensen te helpen. Maar later las ik het terug bij Descartes: dat je door geneeskunde erachter kunt komen hoe alles in elkaar zit. Descartes wordt nu verguisd. Elk neurologieboek dat je openslaat begint te zeggen: 'dat dualisme van Descartes tussen lichaam en geest, daar geloven we niet in'. Maar vervolgens gaat het wel uit van de moderne variant: een dualisme tussen lichaam en bewustzijn.

De neurologen menen dat we kunnen denken omdat we hersenen hebben. En dat we kunnen zien omdat we ogen hebben. Maar misschien is het net andersom. Als je naar de evolutie kijkt zie je dat de omgeving vaak de trigger is van het ontwikkelen van eigenschappen. Misschien hebben we wel ogen omdat er licht is. En hersenen omdat onze geest wilde denken.

Voor de artsenij heeft dit gevolgen. Als je dat dualisme houdt maar het omkeert: wij zijn niet product van ons lijf, maar het lijf is product van iets dat er al was. Het lijf heeft zich dan ontwikkeld omdat ons bewustzijn er al was.

Wat er al niet met één-celligen gebeurt, wezens zonder zenuwweefsel. Er is een onderzoek geweest waarin amoebes de weg vinden in een doolhof. Een ééncellig diertje: dat hoort helemaal niet te kunnen. Tenzij de dingen complexer zijn. Misschien heeft zo'n diertje wel bewustzijn, maar moeten de daarbij horende organen zich nog ontwikkelen.

Eind jaren tachtig werkte ik in een gezondheidscentrum. Hoewel het toen nog verboden was deden we aan euthanasie. We waren helden bij de patiënten. Maar het zat mij dwars. 'Wat weet ik eigenlijk van leven en dood', vroeg ik me af. Niks, ondanks mijn studie medicijnen. Ik ben toen dieper in de filosofie literatuur gedoken. Maar het bevredigde niet. De mens als moleculaire machine, dat leert ons niks over leven en dood. En het gáát toch juist om de betekenis daarvan. Wat betekenis betreft zijn de meeste wetenschappers nihilist.

In de wetenschap vond ik geen enkele reden om arts te zijn. Als de dingen geen betekenis hebben... Zo maakte ik kennis met het failliet van het denken.

Via mijn vrouw, die werkte op een vrije school, vond ik antroposofische gedachten waarbinnen de artsenij zin kreeg. Als antroposoof behandel ik mijn patiënten als mensen die zich vooral geestelijk moeten ontwikkelen. Ik wil ze genezen van ziekten zonder die ontwikkeling in de weg te zitten. Dat betekent dat ik soms afwijk van de reguliere behandelmethoden. Die ruimte is voor veel artsen al te veel. Ontwikkel in de reguliere geneeskunde een visie op de mens, op leven en dood, waar je in de praktijkkamer wat aan hebt, denk ik dan. Dan hoef ik niet af te wijken.

Ook patiënten willen trouwens niet nadenken over leven en dood. Ze leveren zich liever uit aan de Dokter. Zeker bij mij, ik sta in zo'n daar-wordt-je-wel-beter boekje. Sommige patiënten wachten gewoon tot ze beter zijn. Je staat dan geestelijk stil. Je moet betrokken zijn bij je herstel. Dat wil ik in mijn praktijk stimuleren. Anders heeft zo'n ziekte helemaal geen betekenis. Al hebben ze maar een fysieke betrokkenheid -dat wil zeggen hij herstelt met gebruik van eigen kracht. Dan wordt de geestelijke ontwikkeling weer vanzelf onderdeel van de fysieke evolutie.''

mailIcon print |