Het machientje steunt. Het machientje kreunt. Het laagje pinda's bovenop schudt en zakt, langzaam druipt een beige sliert uit de opening onderaan. De winkelier vangt het op in een potje en zegt: 'Uw pindakaas. Blijft een jaar lang goed, buiten de koelkast.' Pindakaas verschijnt niet alleen in potjes in de supermarkt, maar bestaat ook versgemalen bij bijzondere winkeliers die hun klanten hoogachten. Deze winkel zit in Amsterdam, in de Rijnstraat, en is van Bert Tabak.
Verder zijn ze zeldzaam, die winkeliers, en hun klanten komen van heinde en verre -net als ik. En waarvoor? Voor een bijproduct van de Amerikaanse katoenteelt. Dat wil in elk geval het verhaal: in het zuiden van de Verenigde Staten raakte de bodem uitgeput, eind 19de eeuw, door het voortdurend verbouwen van katoenplanten. Pindateelt was de redding, de pindaplantjes brachten stikstof in de grond die de katoen zo nodig had. Oogst gered, boeren gered, maar wat te doen met al die pinda's?
Pindakaas maken, natuurlijk. Zoals Bert Tabak doet. Het kan van alle pinda's, maar hij gebruikt een mengsel van het Natal-ras uit Zuid-Afrika en Runners uit de VS. ,,Natal is wat zoeter'', legt hij uit. ,,Dan hoeft er geen suiker meer bij, zoals bij veel andere pindakaas wel gaat. U wilt niet weten wat ze soms met pinda's uithalen.'' Dat wil ik inderdaad niet weten.
Eenmaal thuis bevalt de pindakaas bijzonder goed en niet duur ook: 350 gram voor euro1,59. Een heerlijke smaak, niet te zoet, niet te zout en een mens heeft aan een lepeltje per dag genoeg: het spul plakt tong en verhemelte onlosmakelijk aan elkaar. De kinderen maken er korte metten mee.
Zelf maken dan maar, want wat Tabak deed zag er niet zo moeilijk uit: roosteren en malen. Een pond pinda's kleurt in een kwartiertje bruin in een oven van 170 graden. Dat is stap één, de eenvoudigste. Het malen is een ander verhaal. Tabak heeft daarvoor een molen, die tweeduizend euro kost. Dat heb ik er niet voor over. Domweg malen in de keukenmachine is geen goed idee. Het gaat wel snel, maar het malen kan de pinda-olie ranzig maken. Een dergelijk gevaar dreigt ook bij het maken van amandelspijs; mijn grootmoeder draaide haar amandelen door de vleesmolen. Die heb ik geërfd, een degelijk gietijzeren geval van een kilo of tien. De molen maalt de pinda's met enkele slagen tot droge pindapulp. Een scheutje olie erbij, wat zout en klaar: echte, zelfgemaakte pindakaas. Net zo lekker als die van Tabak maar grover en minder plakkerig. Ook de kinderen vinden het heerlijk en naarmate het pindakaasniveau daalt stijgen stoutmoedige verlangens in mij op. Waarom die beperking tot pinda's? Er zijn zoveel vette dingen op aarde, die ook nog gemalen kunnen worden. Amandelen, walnoten natuurlijk maar ook die vetste noot ter wereld, de Australische macadamia, die voor zeventig procent uit vet bestaat. Dat moet smeuïge pasta opleveren.
En inderdaad. Eventjes geroosterd, daarna gemalen in de molen en gesmeerd over vers geroosterd Hollands bruinbrood -daarvoor zouden Griekse goden van hun troon komen. Ideetje voor Tabak, misschien?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.