*

 

Regen

Esther Hageman − 16/07/04, 00:00

Met het begin van de schoolvakantie eindigde de reeks Casparus. Op deze plaats gaan we verder met Het Lingebos: het dagelijks leven op een camping.

Zo, hij staat. Een tent opzetten is blijkbaar net zoiets als fietsen: al doe je het jaren niet, als het opnieuw moet blijk je alles nog te weten.

Het is nog rustig op Het Lingebos in Vuren, een stadje op een steenworp afstand van Gorinchem. De echte zomerdrukte moet nog komen. Op het veldje waar mijn tent staat, eigenlijk bedoeld voor de groepen, staat een handvol kleine tentjes in een halve cirkel. Daarin bivakkeert een stel kinderen, een stuk of tien, met een stuk of vier begeleiders.

Mag je afgaan op het formaat van de fietsen die in het rek naast hun tenten staan, hebben die de puberleeftijd nog niet bereikt. Op een kampeerterrein is die observatie in zoverre van belang dat ze nu dus nog geen lawaai maken. Of in ieder geval geen hinderlijk lawaai. Voetballende jongetjes, dat is een heel prettig geluid.

Op het veld verderop, dat aan het kleine meertje grenst, kamperen een paar jonge gezinnen. Dichter bij de ingang zijn twee velden waarop caravansmetvoortent staan. Daar kun je grijzende koppen in en uit zien gaan. Dat is een van de veldjes waar je, als je wilt, elektriciteit kunt krijgen.

Sinds ik op een camping in Zweden eens zag waar elektriciteit op een kampeerterrein toe kan leiden huldig ik het standpunt dat je daarmee moet oppassen. De Zweedse opvatting van 'fijn kamperen midden in de natuur' bestaat er blijkbaar uit dat iedereen in een eigen, enorme caravan naar een eigen, enorme tv zit te kijken - alleen die rare Hollanders kampeerden in tentjes, en alleen zij maakten gebruik van het volleybalveld.

Hier op Het Lingebos zie je 's avonds uit de caravans geen licht komen, en evenmin het blauwe schijnsel van televisie. Achter de plastic ramen van de voortenten flikkeren waxinelichtjes.

Ik heb aan alles gedacht: kampeerhamer, slippers, maar niet aan kaplaarzen. Dom, want een paar uur nadat de tent staat verdringt een regenbui de indringende geur van grasveld. Tegen etenstijd begint het te hozen. Het wcgebouwtje is weliswaar dichtbij, maar zonder kaplaarzen is die afstand groot genoeg om natte voeten te krijgen.

Bijna een kilometer verderop ligt een pannenkoekenhuis. Van de wandeling daarheen word je bij dit weer nat tot op de draad, maar dat is misschien ook wel de juiste toestand om zulke kost tot je te willen nemen.

De kindergroep heeft ook besloten om vandaag niet te koken, maar hier te gaan eten. Het pannenkoekenhuis zit vanavond stampvol. Er zijn tafels waaraan grootouders met kleinkinderen zitten, er zijn een paar jeugdige geliefden, er zijn tafels waaraan twee oudere echtparen, maar vooral zijn er veel tafels met de configuratie 'ouders plus kinderen in de kinderstoelleeftijd'. Vrijwel allemaal komen ze nat bij het pannenkoekenhuis aan. De ruiten beslaan van het vocht dat al die natte gasten met zich meebrengen.

Het Lingebos was ooit van Staatsbosbeheer. Sinds vijf jaar is het van Paul en Lizzy Huttenhuis, die het terrein (,,kampeerterrein, niet camping; dat woord heeft een heel andere uitstraling”) sinds tien jaar beheren. Er is maar een handvol seizoensplaatsen. De Huttenhuizen hebben een voorkeur voor wat ze noemen 'toeristische kampeerders'. Dat betekent: mensen die komen, een nacht tot een paar weken blijven, en dan weer vertrekken.

Dat is een totaal ander slag dan seizoensgasten, leert hun ervaring. Die willen een kantine, die willen bingo, die willen klaverjassen, die willen 'met elkaar zijn', zonder vreemde snoeshanen graag. Ooit, jaren geleden, had je op Het Lingebos heel wat van zulke mensen. De oplossing was eenvoudig: sluit de kantine en in anderhalf jaar tijd heb je een totaal ander publiek.

Ada (42) is dus een van de weinige seizoensgasten op Het Lingebos en ze is, ook zonder kantine en klaverjassen, zeer aan de plek verknocht. Tussen april en oktober komt zij met haar gezin vrijwel elk weekeinde uit het Westland naar Vuren gereden. Als je elke week gaat, dan is het ook niet zo'n volksverhuizing om te gaan, zegt ze. Dan heb je telkens maar een paar spulletjes bij je. Het enige nadeel dat ze kan bedenken is eigenlijk een omgekeerd compliment: ,,Als je alle weekeinden hier bent, dan zie je niet meer zo uit naar de zomervakantie.”

Waar gaat ze in de grote vakantie dan naar toe?

,,Oók hiernaartoe.”

mailIcon print |