*

 

Reve met Wiegel tegen het 'linkse geloei'

Door: redactie − 18/12/04, 00:00

Het levenspad van Hans Wiegel kan dat van Gerard Reve hebben gekruist jaren vóór de politicus en de volksschrijver de correspondentie begonnen waarover wij vorige week berichtten. In zijn jongensjaren struinde Wiegel door het bos achter het ouderlijk huis en de aangrenzende de tuin van villa Jagtlust in Blaricum. Wiegel herinnert zich nog hoe de vijver van Jagtlust barstte van de salamanders. Tezelfdertijd, terwijl de rest van Nederland netjes werkte aan de wederopbouw, gaven de ravissante dichteres Fritzi ten Harmsen van der Beek en een Amsterdamse incrowd van kunstenaars zich in de villa over aan drank, drugs en liefde. Remco Campert, Cees Nooteboom, Bert Schierbeek, Ed van der Elsken behoorden tot Fritzi's intimi, en ook Reve. Over hem herinnerde een aanwezige zich later: ,,Het was, vonden ze, een lieve jongen en je kon met hem lachen. Zo plaste hij tijdens een feestje ooit eens een bierglas vol en zette het ergens neer. Toen Fritzi het even later oppakte, trok ze een gezicht: 'Dat is pis!' 'Is dat pis?' vroeg Reve, die net kwam aanlopen. Zonder een spier te vertrekken zette hij het glas aan zijn mond en dronk het tot de bodem leeg. 'Dan moet je wel erg veel van jezelf houden', merkt uitgever Theo Sontrop later op.''

Reve moet een sterke maag hebben, als we de verhalen mogen geloven. Onder studenten Nederlands in Leiden gaat het hardnekkige gerucht dat hij mensen aan wie hij de pest had, op het eten uitnodigde en dan heerlijk klaargemaakte, doch rotte vis voorzette. Hij had geen centje last, zijn gasten wel.

Zijn gevoel voor humor brak hem wel eens op. In 'De Taal der liefde' bepleitte hij arbeiders te isoleren in hun wijken. ,,Die mogen ze alleen op weg van en naar hun werk verlaten en verder alleen met speciale verlofpasjes.'' Over de loeiende verontwaardiging die hij met die passage wekte, zei hij later in een gesprek met journalist W.L. Brugsma: ,,Het is iets wat je ontsnapt en het is voor Nederland niet zo goed natuurlijk, omdat de Nederlander eigenlijk verschrikkelijk weinig humor heeft. De Nederlander denkt dat hij verschrikkelijk lollig en verschrikkelijk intelligent is, maar de Nederlander is eigenlijk een soort Duitser, die zich verbeeldt dat hij geen Duitser is omdat hij melk drinkt.''

Reve wilde met zijn fantasie over apartheidspolitiek voor arbeiders zijn weerzin tegen 'dat linkse geloei' verwoorden. Over de politieke verwantschap tussen Reve en Wiegel vonden wij in hun correspondentie één passage terug. De VVD'er betuigt daarin zijn respect voor de 'onverbloemde uitspraken' waarmee de schrijver stelling neemt tegen 'de linkse mode'.

Reve maakte een wending van PvdA naar VVD. Over die keuze schreef hij aan Simon Carmiggelt: ,,Een liberaal, minister Polak, die heeft het strafrecht in seksuele zaken gehumaniseerd. Dat is de voornaamste reden dat ik bij de verkiezingen liberaal, op de Volkspartij voor Vrijheid en Democratie heb gestemd. Iemand als Geertsema durft impopulair te zijn en zich vóór minderheden zoals de homoseksuelen openlijk uit te spreken, wat de Partij van de Arbeid nooit zal doen. Dat is de Partij van de Voetbal en van het gepeupel.''

In die tijd vervloekte links Wiegel om zijn campagne tegen het misbruik van uitkeringen. Reve was het met de VVD-voorman eens dat de sociale zekerheden zelf in gevaar komen als de overheid zwendel op grote schaal gedoogt. Als voorbeeld gaf hij dat zijn hele caravan was ingericht door mensen in de ziektewet. Ook maakte hij zich grote zorgen over het immigratiebeleid. ,,Ik zou willen wijzen op het onmenselijke van het experiment om mensen uit een totaal ander werelddeel te halen, hier neer te poten en te hopen dat alles goed gaat, terwijl die mensen niet aan de slag komen en aan sociale ontreddering ten prooi zijn.''

En aan Carmiggelt schreef hij: ,,Kijk, dat de Surinamer die in armoede in Paramaribo zit, naar Amsterdam probeert te komen, omdat hij daar een -betrekkelijke- welvaart vindt, dat kan geen zinnig mens hem kwalijk nemen. Maar dat de Nederlandse overheid in een eivolle stad, waar geen werk en geen woonruimte zijn, tienduizenden immigranten binnenhaalt, dat is misdadig, dat noem ik racisme. Het is mensenliefde en gelijkheid en broederschap die niets kosten. Amsterdam kende vrijwel geen racisme, maar de regering-Den Uyl heeft het weten te planten.''

Deze rubriek gaat met de Tweede Kamer op reces. Waar zij van Den Haag ons over vier weken brengen weten we nog niet. Misschien in Ee.

mailIcon print |