Wat hebben Samir A., Mohammed B. en Osama bin Laden met elkaar gemeen? Ze hebben een afkeer van mensen die ook los van God zelfstandig durven na te denken over hun identiteit. Toen ze zelf in een identiteitscrisis terechtkwamen en gingen nadenken wie ze waren, raakten ze verdwaald. Zij vrezen dat God niet van denkers houdt. Als alle mensen zelfstandig zouden nadenken dan zouden ze hoogmoedig kunnen worden, is hun angst. Dan hebben ze Allah niet meer nodig om hun leven in te vullen zoals ze dat zelf willen.
Deze angst heeft een oorsprong. Het denken gaat gepaard met extra vragen, dilemma's en twijfels. Dat kan voor fundamentalisten, die sterk geloven in één waarheid, funest uitpakken. Zij onderscheiden zich altijd makkelijk van de rest door het aanhangen van hun simplistische mono-culturele identiteit. Wie niet tot hun groep behoort, kent de waarheid niet en is dus achterlijk of dwalende. In contact met de ander laten ze zich leiden door hun superioriteitsgevoelens.
Fundamentalisten staan nooit open voor grapjes over hun identiteit, omdat ze niet kunnen relativeren. Ze zijn bloedserieus bezig met het verdedigen of verspreiden van hun harde boodschap. Het is waar dat vooral gelovige fundamentalisten opgroeien in milieus waar nadenken over wie of wat je bent of maakt gelijkstaat aan zwakte of blasfemie. Je moet gewoon alles letterlijk aannemen wat er bijvoorbeeld in de Koran staat.
Dus is het vanzelfsprekend om je verstand op nul zetten en je blik op oneindig. Zo is voor hen de Koran hun enige gebruiksaanwijzing en garantie om, na hun dood, het eeuwige paradijs te betreden. De snelste weg ernaartoe is volgens hen strijden voor Allah. Dat betekent dat gehoorzaamheid aan Allah's wil en wet het enige is wat in dit leven telt. Iedereen moet bekeerd worden tot hun geloof. Niet omdat zij dat vinden of denken, maar omdat God dat eist. Als dat niet via het woord kan dan maar via het zwaard. Dus moeten ze hun identiteit desnoods met geweld verdedigen.
Nederlandse moslimfundamentalisten, die ik tijdens debatten ontmoet, verwijten me dat ik in mijn schrijven te weinig voor mijn geloof opkom. Als ik antwoord dat ik nooit de behoefte voel om de islam, die al 1426 maanjaren heeft overleefd, te verdedigen, kijken ze me vragend aan. 'Waarom niet? Je bent toch een moslim?', klinkt het verwijt.
Natuurlijk vormt de islam een wezenlijk onderdeel van mijn culturele identiteit, antwoord ik, maar ik drink ook graag uit andere bronnen. Voor mijn identiteit ben ik niet afhankelijk van één geloof of één cultuur. Als ik uitleg dat ik besta uit een verzameling van meerdere identiteiten, zoals de Nederlandse, Marokkaanse en Indonesische, dan zie je hun ogen groter worden. Wanneer ik ze ook vertel dat mijn opvoeding hier voor de helft door homo's bepaald is, klappen ze dicht.
Fundamentalisten begrijpen niet hoe ik zo tevreden kan zijn met mijn hybride identiteit. Op mijn beurt snap ik niet dat zij niet openstaan voor andere opvattingen. Zij luisteren nooit naar wat de ander vertelt, laat staan dat ze die ander proberen te begrijpen. Daardoor missen ze niet alleen veel van wat het leven te bieden heeft, maar doen ze zichzelf tekort door de loyaliteit bij één geloof en één groep te leggen. Dat beperkt hun kansen om hun identiteit op te plussen. Daardoor veranderen ze niet, blijven ze conservatief en raken op den duur verbitterd. Om dit te doorbreken moeten fundamentalisten, à la Samir A. en Mohammed B., wel eerst durven na te denken. Dat is het fundament van vooruitgang, verandering en vernieuwing. En dat kan alleen leiden tot een heterogene identiteit.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.