*

 

De zonen willen een gesprek. Hun klacht komt snel op tafel.

Monic Slingerland − 19/07/05, 00:00

Dat er bij mijn zonen iets broeide, was wel duidelijk. Met kleine signalen gaven zij aan dat iets hen niet zinde. Gemopper over het eten. Dat het alweer rijst was. Waarom we nooit een toetje hadden. De signalen werden groter. Gemopper over het eten in het bijzijn van een gast aan tafel. Dat de sliertjes mie die ik als frivoliteit bij het voorgerecht op een bordje had gelegd, restjes van gisteren waren (wat waar was). En dat het onzin is, om mie bij een voorgerecht te doen (wat een kwestie van smaak is). Dat we tegenwoordig steeds restjes eten (wat niet waar is). En dat ze geen zin hadden om net als ik te tafelen met nette kleren aan. Ik zei dat ik uit mijn werk kwam en daarom zo gekleed was, maar ze luisterden al niet meer.

Met een hint naar hun humeur informeerde ik of het gisteravond soms laat geworden was. Daar had het niets mee te maken en het deed er niet toe, vonden ze. De jongste kwam het eerst. We moesten praten, ze hadden me iets belangrijks te zeggen.

Enigszins benauwd liep ik naar hun bankje en wurmde me tussen hen in.

Ze keken tv en ik keek mee. Na een tijdje vonden we alledrie dat het tijd was om terzake te komen.

De oudste voerde het woord, kort, krachtig en duidelijk zoals altijd.

”We willen meer aandacht.”

Daar hadden ze een punt. Wel was ik opgelucht dat het niet iets ernstigers was.

Meer aandacht, ja, daar zat iets in. Ik keek terug op de afgelopen weken. Ik had geleefd alsof ik geen kinderen had. Elke avond weg en ook de weekeinden, want ik had me opgegeven om mee te zingen in een opera. Dat betekende veel repeteren. De eerste paar keer hadden ze nog gejuicht bij mijn aankondiging dat ze die dag zelf voor hun eten moesten zorgen en dat er enige pizza's in de koelkast lagen. Begrijpend hadden ze geknikt toen ik vertelde dat ik net als zij nu ook dingen deed die ik leuk vond: elke avond zingen. En dat het maar een paar weken zou duren, tot de laatste voorstelling van de opera 'Nixon in China', waarin ik in het koor zong. Tot die tijd zouden ze weinig last van me hebben, haha, grapte ik. Daarna was ik er weer voor hen.

De laatste voorstelling ging voorbij, eindelijk had ik tijd voor andere dingen. Gasten aan tafel, oude vrienden, nieuwe vrienden. Ik was er weer aan gewend geraakt, aan dat vrije leven. En zo kwamen ze nog steeds niet aan bod. Vandaar hun verzoek.

Jullie hebben gelijk, zei ik. En bleef tussen hen in zitten, met de blik op het televisieprogramma dat ik niet kon thuisbrengen. Mijn oudste zoon keek me eens aan.

”Je hoeft hier nu niet te blijven zitten hoor”, zei hij vriendelijk.

Ik omhelsde hem en ging naar mijn eigen bankje.

De drie dagen daarna heb ik mijn oudste zoon niet gezien. Hij was de hort op, hij heeft vakantie.

mailIcon print |