AMSTERDAM - De sterke economische groei in Oost-Azië heeft er toe geleid dat de armoede in de regio aanzienlijk is afgenomen. In 1999 leefde nog 50 procent van de bevolking van minder dan twee dollar per dag. Dat percentage is tot 34 procent gedaald, een daling van het aantal armen met 300 miljoen.
Dat staat in het vanmorgen gepubliceerde rapport van de Wereldbank over de economie en sociale gevolgen in Oost-Azië.
De bank ziet de economie in de regio -met landen als China, Vietnam, Indonesië, Maleisië, de Filippijnen en Japan- met 7,1 procent groeien in 2004. De echte ontwikkelingslanden in die groep, dus zonder Japan, scoren zelfs 8 procent groei. Die fraaie cijfers zijn volgens de economen van de Wereldbank te danken aan economisch herstel in de rijke landen waardoor de vraag toenam, een opbloeiende handel in de eigen regio en herstel van de activiteit in de hightech-sector.
De 7,1 procent groei in Oost-Azië vormt wel de piek van de cyclus. Voor volgend jaar wordt nog altijd een forse -zij het lagere- groei verwacht van 5,9 procent. De ontwikkelingslanden blijven het met 7 procent procentueel wel beter doen dan hun rijkere broers en zusters. China, nu voor 2004 in de boeken met 9,2 procent, zal naar verwachting terugzakken naar 7,8 procent. En dat is een niveau dat Vietnam -net als China een land dat van een centraal geleide economie overstapt op een markteconomie- ook zal halen.
Het aantal Oost-Aziaten dat in 2004 leeft onder de armoedegrens van 2 dollar per dag, is gezakt naar 34 procent oftewel 636 miljoen mensen. Sinds 1999 is het gemiddeld inkomen per hoofd van de bevolking in de ontwikkelingslanden in Oost-Azië met 6 procent gestegen. Het grootste aantal armen in deze regio leeft in China, 418 miljoen. De bank signaleert in dat land een terugval van het aantal armen met 32 procent en dat is vooral te danken aan hogere graanprijzen, directe steun aan boeren en een vermindering van de belastingen op agrarische producten.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.