*

 

Door de tunnel van mijn liefdesverdriet

Roel van Duijn − 02/01/04, 00:00

Roel van Duijn ziet door eigen toedoen een grote liefde vertrekken, en valt in een diep duister. Denkend en schrijvend over zijn liefdesverdriet vindt hij een uitweg. En besluit een website te openen voor andere ongelukkigen. Vanaf vandaag is die site in de lucht.

,,Ik houd verschrikkelijk veel van je'', fluisterde ik door de telefoon. ,,Vergeef me alsjeblieft wat ik je aangedaan heb.'' Het was twee maanden nadat ik haar van me af geduwd had. Twee maanden nadat ik het omgekeerde gedaan had van wat ik wilde. Van wat ik nu zou willen, dat ik toen gedaan had. De vrouw met wie ik zo lang, van uur tot uur, had samengeleefd en samengewerkt! De zangeres van wie ik krankzinnig veel hield, die altijd dol was op mij: die vrouw had ik gezegd weg te gaan.

De vrouw met wie ik, sinds zeven jaar, door hoog vuur gegaan was. Met wie ik spannende overwinningen en nederlagen, recitals en reizen had opgezet en uitgevoerd. Die had ik niet langer kunnen verdragen, omdat ik het in mijn kop had, dat haar spanningen mij zouden verstikken. Haar tranen en haar opvliegingen: toen zij een martelend jaar aan de computer zat om haar proefschrift klaar te krijgen en ik, in de open ruimte ernaast, alleen haar rug te zien kreeg. Of, als het haar weer te machtig werd, zij zich als een piekerspook op mij stortte.

Wat kreeg ik van die dagelijks terugkerende drama's? Ik verstopte mij in dromen over andere vrouwen, andere landen. Ik hield het voor mij; het zou haar maar uit haar evenwicht brengen en dan zou het heilige proefschrift nooit klaar komen en zou zij voor eeuwig slechts doctoranda zijn. Nog even de tanden op elkaar. Nog even haar tranen drogen en haar oppeppen, vermande ik me. Wit van kou en ingehouden woede bitste ik, de dag nadat zij het proefschrift had ingeleverd, dat zij nu maar -ik durf niet te herhalen wat ik boven bekend heb- even gaan moest. Te erg.

Zij was een Gouden Antilope, ja. Een, waarvoor ik een opdracht had. Haar te voeden, te masseren, te kammen, te weiden, te liefkozen. Ik fantaseerde erop los, dagelijks. Zodat zij zich verbaasd begon af te vragen over wie ik het had, zo weinig herkende zij zichzelf nog. Zó hoog had ik haar op een schitterend voetstuk van schoonheid en vrouwelijk mysterie gezet, dat zij er duizelig van werd. Zij wilde eraf. Ik hield haar er stijf op. Zij was niet alleen een Gouden Antilope, maar ook een Gouden Poesje.

Zij kreeg het benauwd, van dat voetstuk, van het proefschrift. Zij kreeg het benauwd, dat ik niet op haar benauwdheid wilde ingaan. Ik kreeg het nog benauwder, van haar benauwdheid. Toen zij op een avondrecital, bij ons thuis, 'Er, der herrlichste von allen' uit 'Frauenlieben und -leben' van Schumann zong, barstte ik in luid applaus uit, blij dat zij nu eens uit haar proefschrift opglansde. Zij glimlachtte beleefd en snelde naar de wc, waar ik haar hoorde snikken. Ik trachtte haar daar te troosten, maar ze weerde me af, nog voordat ik haar zeggen kon dat zij een Zingend Poesje was. Hield Anna het op mijn voetstuk niet langer uit? Voelde zij zich miskend, doodgeknuffeld? Even later hoorde ik mijn eigen stem haar vragen weg te gaan.

Opgelucht voelde ik me eerst. Zij schreef mij roerende brieven, dat zij altijd van mij zou blijven houden en altijd lief en leed met mij wilde delen, maar ik antwoordde niet. Daarna kwam er in mijn borst een onbekende pijn. Toen de pijn erger werd, herkende ik die. Gloeiende spijt. Twee maanden na mijn verwarring belde ik haar.

,,Tja'', antwoordde ze, ,,ik heb geen reden meer om bij je terug te keren.'' Zij had een kamer, onafhankelijkheid, alles. Hoe kon ze me trouwens nog vertrouwen?

Ik kon het niet geloven. Zij was het toch geweest, die geen dag buiten me kon, om me dan later te bekennen: ,,Ik heb je enorm gemist.'' Waarna ik haar hetzelfde zei. Zij was het toch geweest die, als ze op het conservatorium studeerde over Schumann en de virtuoze pianiste Clara Wieck, me drie keer op een dag belde om me te vertellen hoe zij zich voelde?

Ik kon het niet geloven en ik belde haar nog eens, schreef haar, e-mailde. Eens mocht ik haar in een café ontmoeten. Zij lachte en dat deed me goed. Was het toch te herstellen? Ze liep nog mee, naar 'ons' huis, om spullen. En verdween. Met tranen, vanwege, naar zij het noemde, de scheiding. Nee, de crisis, beweerde ik.

In een zwart gat vertoefde ik. Kon ik haar dan echt niet terugveroveren? Zat zij, gisten mijn jaloerse hersens, vast aan een ander?

's Nachts sloop ik langs haar stille, donkere souterrain in de nieuwbouwstraat, niet ver van de mijne, en zag er de gele damesfiets met het slot van stalen ringen niet. O, wat zou zij uitspoken?

Ik liep op straat en schreeuwde haar naam. Heel even voelde het lekker, die vertrouwde klank op m'n tong: Annááááá, kom terug alsjeblieft!

Een wederzijdse vriend slaagde erin een afspraak te maken voor een ontmoeting tussen haar en mij. Over zeven maanden! In restaurant De Koe.

Had zij een ander?, vroeg ik me de volgende dag weer af. Kon ik die man geen kopje kleiner maken? Waar verborg hij zich? Hij wist natuurlijk alles over mij, terwijl ik geen idee had over hem. Dan verslapten mijn jeukende handen weer, teleurgesteld: dat het om hem niet ging. Om háár.

Wat ik moest doen, hield ik me voor, was: haar met rust laten en, zoals zij mij aanraadde, aan mezelf werken. Ik moest, schreef ik in mijn dagboek, toen ik in de trein naar Leeuwarden zat om daar een liefdesexpert te raadplegen, toch een vooruitzicht hebben? Een scenario, over wat zich zou gaan afspelen? Tussen haar en mij?

's Nachts hoorde ik scherp luisterend mijn Antilope op straat huilen. Ik schoot in de kleren, paraat om te troosten. Ik tuurde hoopvol uit het raam, maar het geluid stierf weg.

De pijn bleef. Na een maand nog. En deze pijn had ik, nam ik aan, bij haar twee maanden lang veroorzaakt. Wie was ik, dat ik zo'n beul was geweest?

,,Mis je nu haar zelf?'', vroeg mijn oudste zuster in een van mijn eindeloze telefoongesprekken, ,,of ben je alleen maar eenzaam?'' Want als het alleen de eenzaamheid was, waarom zou ik dan niet onmiddellijk een ander zoeken?

Ik miste haar ogen, mij onderzoekend. Ik miste haar bij het onder de wol gaan. Ik miste het kaarsje, dat ik voor het slapen gaan naast haar bed klaarzette, omdat zij zo graag nog wat las. Als we nog even gepraat hadden, voelde ik haar lichtbruine lijf verstillen en haar kin zakken, dan wist ik dat zij, in mijn armen en met haar lange benen om de mijne, insliep.

Ik miste, 's ochtends als ik wakker werd, haar gedraaide horens die boven de lakens uitstaken. Ik miste haar nieuwsgierigheid naar wat ik deed, haar enthousiasme achter alles wat we samen ondernamen. Ik miste haar pit. Die kracht was nu buiten mijn bereik en dat was wat ik het meest miste. De kracht waarmee ze, bij de begrafenis van haar vader, diep in het Groningse land, de zwarte christenmannen de stuipen op het lijf had gejaagd met een protest, uit haar meisjesmond, tegen de vaderheerschappij.

Nu stonden er nog spullen van haar in huis. Gelukkig. Haar boeken, haar stoelen. Haar jasjes hingen nog op de kapstok. Ze kon zo binnenkomen; haar jas aantrekken en op haar blauwe draaistoel gaan zitten. Ze kon naar de badkamer gaan en haar huidmelk opsmeren. Ik moest er niet aan denken, dat al die spullen zouden verhuizen. Nieuwe pijn dreigde. Ik zou haar dan veel geld bieden voor die jassen en huidmelkjes.

Ik miste, alsof ze van me afgehakt waren, haar vlugge vingers, haar ietsjepietsje scheve neus, haar opgewekte stem. Ik miste haar voeten naast mij, als we op straat liepen, fietsten, in de tram zaten. Ik kromp als ik, in gedachten, haar hoorde zingen. ,,Waarom zeg je me niet wat je dwars zit?'', had zij mij keer op keer gevraagd, voordat ik mij terugtrok in de ondoordringbare bel, met daarin een fantasiedier op een gouden voetstuk, die even later exploderen zou.

Het was waar: iets van dit alles misschien hoorde tot mijn plotselinge gevoel van onveiligheid, omdat ik alleen was. Hoe persoonlijk waren die jasjes op de kapstok, die herinneringen aan kaarsjes en onze fantastische tochten eigenlijk? Zoek een andere vrouw, daar kun je ook een kaarsje voor neerzetten, hoorde ik. Ja, maar er was er maar één bij wie ik het ware gevoel kreeg.

Zelfverwijt. Ik wilde er niet in verzuipen. Ook niet mezelf gemakkelijk vergeven. Laat ik, sprak ik mezelf toe, kijken hoe ik mijn fout toch nog iets kan herstellen. Door met mezelf iets te doen. Ik had een plan nodig om mezelf gelukkig te maken. Een actieprogramma tegen mijn liefdesverdriet.

Ik troostte me dat er nog een fijne verbinding was. De relatie werkte in mijn en in haar geest door, ja in die van vrienden en bekenden. In mijn ogen was onze relatie vruchtbaar en aanstekelijk geweest. En eens zouden wij elkaar terug zien. Om te zien, schreef zij, of wij gegroeid zijn. Wat er daarna zou gebeuren, dat was een raadsel. Maar zij wilde, op afstand, groeien. En zij wilde dat ik dat ook deed.

Hield zij me aan het lijntje? Ik pikte het. Omdat ik zelf zo stom geweest was. Ondertussen zou ze met een ander kunnen vrijen. Volgens mijn actieprogramma mocht ik daaraan nu niet meer te denken. Ik ging ook niet meer bij haar raam kijken of haar fiets er stond en, als hij er stond, blij haar zadel aaien. Als hij er niet stond, verscheurde zijn afwezigheid me. Als hij er wel stond wist ik niet genoeg, want die klootzak kon ook binnengedrongen zijn en iets met haar aan het doen zijn. Ik sla hem zijn hersens in, nam ik me voor.

Een actieprogramma zette ik in m'n dagboek: 1) nadenken over de rol die ik gespeeld heb in het opensplijten van onze verhouding, 2) mezelf genoeg troosten met gedachten en plaatsvervangende vrouwelijke energie, 3) me een beeld scheppen over wie ik als minnaar ben en hoe mijn zwarte gat er van binnen uitziet.

Er ontbrak nog iets.

O ja, een vader van mijn kind moest ik ook zijn. En geld binnenslepen. Ik haalde voor een grote schoonmaak in huis de ladder te voorschijn en stofte alle planken af met een natte doek. Goed voor mij. Zes weken waren voorbij: mijn prestatie.

In New York was de uitvaartplechtigheid. In januari, twee maanden voor mijn vreemde uitbarsting. Ik bleek een uitgebreide Amerikaanse familie te hebben, die ruim present was om afscheid te nemen van mijn broer. Mijn schoonzuster pakte mijn arm toen we de kerk binnen liepen, voor de afscheidstoespraakjes. Er was ook een fototentoonstelling over het leven van mijn broer. Bij één foto verstijfde ik en mijn ogen schoten direct vol, alsof ik terug in de tijd geslingerd werd. Bob, nog een jonge man, zat aan de rand van een bed om afscheid te nemen van een kleine man, die eruit zag als een concentratiekampgevangene: mijn vader. Doodziek en in pyama. De ogen puilden uit het hongergezicht.

Nooit had ik die foto gezien. De allerlaatste die er van mijn vader bestaat. De man met wie ik Vergilius uit het Latijn vertaalde, aan zijn bureau met de leeuwenkoppen. De man die mij schaken en schrijven leerde. De dromer, die de jaloezie-aanvallen van mijn moeder laconiek over zich heen liet komen en altijd mijn vader en haar man bleef.

43 jaar waren ze getrouwd geweest en na zijn dood klemden zich de stevige bovenarmen van mijn moeder, naakt uit de korte mouwen van haar jurk, verstikkend om mijn hals. Benauwd had ik het er van en nog benauwder zou ik het krijgen. Het enige licht dat ik zag, was dat van een ontsnapping. Op een veilige afstand van haar armen wilde ik zijn.

Vader dood, moeder om me heen geklemd. Dit was mijn oplossing: afstand nemen.

Dát drama had ik nu pijnlijk genoeg opnieuw gezocht. 19 was ik opnieuw. Haar verlaten kon ik dit keer niet, want ik had inmiddels een echt kind in huis, om voor te zorgen.

Nog maar drie maanden, dat ik Antilope zou ontmoeten! Er lag, gek genoeg, iets triomfantelijks in deze constatering. Ik was erin geslaagd de muur van de tijd half af te breken, zwijgend, zoals zij wenste. Het schrijvende wachten had dit sterke staaltje verricht!

Veertig jaar geleden, toen mijn vader overleed, klemde mijn moeder zich met kracht aan mij vast. Ik verloste me van de benauwenis door, ondanks haar verzet, naar Amsterdam te verhuizen. Zo vast ligt mijn recept, dat ik er niet op lette dat ik nu niet aan mijn moeder, maar aan mijn eigen, fantastische Antilope ontsnapte. Ik moest haar met mijn moeder verward hebben.

Die ontdekking was het eerste licht dat ik in mijn zwarte gat aanknipte. Ik haalde haar foto van mijn bureau en borg die zingend op. Om me vervolgens te werpen op actiepunt 4, mijn plan om mezelf gelukkig te maken. Zonder succes; ik kon het de volgende dag toch niet laten en zette de foto weer op zijn plaats. Haalde hem weer weg. En tevoorschijn.

Ik sliep niet.

Wat is liefdesverdriet?

Het onverwoestbare verzet tegen het verlies van je geliefde. Die niet-inwisselbare.

De pijn van de loslating van je liefste identificatie.

Niet willen opgeven. Niet aanvaarden dat de mooie herinneringen tot het verleden behoren.

Het gevecht in jezelf tussen de hunkerende minnaar en de begrijpende realist.

Lang blijven steken en niet de moed hebben om afscheid te nemen, om alleen te zijn. Je weigert de nieuwe wereld, zonder je geliefde, binnen te gaan.

Liefdesverdriet roept angst voor eenzaamheid wakker. De reactie van een kind dat plotseling van zijn ouders beroofd wordt. Het kind wordt stijf van schrik en verdriet. Ontkent. Huilt. Schopt.

Omdat je aan je bestaan twijfelt, klamp je je nog steviger vast, aan het beeld van de geliefde. Aan de oude, nog brandende realiteit.

Verzet tegen het verlies, uit angst voor eenzaamheid en de dood. Van je persoon. De dood is het keerpunt van de vicieuze cirkel van liefdesverdriet. Angst voor de dood drijft je terug in het verlangen naar de afwezige.

Terugverlangen. Eenzaamheid. De dood. En van voren af aan.

De angst dat ze voorgoed uit je leven is, de angst dat jij, minnaar, sterven moet, omdat zij jou niet meer aankijkt. Uit angst begint het opnieuw: het verzet tegen het verlies, vastklampen aan de verlorene. Nog eens en nog eens.

Die vicieuze cirkel van het liefdesverdriet boort zich een gat in je onderwereld. Het terugverlangen is de motor van die boor, de pijn de scherpe punt van de boorkop en de angst het draaistuk. Het terugverlangen blijft voortjagen. De angst werpt een schel licht in de tunnel. Angst heeft ogen, waarmee hij eenzaamheid en de nadering van ziekte en dood ziet.

Tot de woede tegen de kwetsende afwijzing je er krachtig op wijst dat je hardnekkige terugverlangen verraad is aan jezelf. Die woede drukt je wil om te overleven uit en zet je aan iets bijzonders te maken; een boek te schrijven, motor rijden, de marathon te lopen. Je doet iets creatiefs en je herkent je zelf. Die ander ziet jou niet meer, maar in plaats daarvan zie jij jezelf. En je bestaat weer, dankzij je eigen oog. Eindelijk is er dan plaats, steeds meer, voor aanvaarding.

Mij bezocht woede spaarzaam. Ik had me daardoor misdeeld mogen voelen; een collega in het liefdesverdriet, die ik op dat moment leerde kennen, verraste mij door al bij het eerste afwijzende gedraai van haar vriend 's nachts, bij het vreemde adres, grimmig het ventiel uit zijn fietsbanden te draaien. Ik merkte niet hoe ik mijn woede smoorde in de zoete boter van mijn terugverlangen. 's Nachts doemde bij mij steeds weer het angstbeeld op: Anna in een omhelzing met een ander.

Ik zocht het nieuwste punt van m'n actieprogramma. Punt 4: zoek de humor in je liefdesverdriet.

Help! Verder dan dat ik mezelf het omgekeerde van een fietsendief voelde -iemand die er 's nachts niet op uit gaat om een fiets te jatten, maar om een zekere fiets te strelen- kwam ik niet. Nog drie maanden, tot ik Antilope zou zien.

Ik had een verweer: van mijzelf houden. Toen ik de krant probeerde te lezen zag ik door de pagina's heen steeds het meubilair van mijn zwarte gat: de stoel waarop haar grote foto stond, de tafel met een eenzame bloem en mijn doodskist in de hoek. Met een schok besefte ik dat ik mijzelf, met mijn voeten op een zwarte bodem, binnenstebuiten gekeerd had en dat ik niet meer vanuit de politiek, maar nu van binnenuit leefde. In dat donkere vertrek woonde een verborgen minnaar, die van mij houdt. Die ontdekte op een nacht hoe mijn hele onderwereld eruit zag. In diezelfde bodem van mijn zwarte gat bevond zich een afgedekt luik, dat toegang bood tot een onderaardse tunnel.

Nog drie weken. Haalde ik het?

Ik droomde dat ik alleen was, in een kamer met een schijndode antilope. De hartslag van het nog warme dier was zwakjes en onregelmatig. In coma, werd er gezegd door de mensen van de dierenambulance die haar afgeleverd hadden. In de schemerdonkere kamer was het stil. Alleen de ademhaling van het liggende beest, op haar zij in het stro, maakte een zacht en heerlijk geluid.

Uren zat ik te kijken, mijn verrukking over de schoonheid en zachtheid van het dier afwisselend met angst dat het nu gedaan zou zijn met haar. Zoals ik dat nu dagelijks gewend was te doen. Het was, tot mijn verbazing van mijn vrienden, mijn dagtaak geworden. Al mijn drukke werk had ik ervoor opgegeven, want op de een of andere manier leek de redding van dit schone wezen de hoogste vervulling die ik me kon denken.

Ik pakte het flesje massageolie van zolder, waarvan ik wist dat zij ervan hield. Het was Smeerwortelolie en ik begon zachtjes te wrijven. Eerst op haar neus, toen de lippen en tenslotte de hartstreek, in kleine, later wijdere bogen, waarbij mijn vingertoppen de ribben kietelden. In de hoop op een glimlach van haar tere bek. Maar beweging kwam er niet. Ik gaf haar nieuw stro. Ik zette een nieuw glas water neer en sprenkelde het op haar vacht. Toe zette ik het infuusapparaat in werking.

Moest de dierenarts niet weer eens komen? Het dier lag hier nu al meer dan drie maanden

Ik pakte de telefoon, maar er werd niet opgenomen. Het antwoordapparaat meldde dat zij verhuisd was, er geen opvolgster was en dat ik het nu zelf moest doen, aan de hand van een brochure: 'Over schijndode huisdieren'.

Ik ging naar de boekhandel, maar de brochure was uitverkocht. De boekhandelaar gaf mij een lijst met telefoonnummers van klanten die het werkje gekocht hadden.

Thuis gekomen zag ik dat alle antilopespulletjes, zoals hairconditioners en huidcrèmes, zadels, teugels en haarborstels, alsook waterbakken, touwen en hoeftangen, bij de boekenkast op de grond lagen uitgestald. Welk spook had dit gedaan? Ik keek op de planken en zag dat ze vol stonden met onbekende boeken: over harmonieleer, contrapunt, Frauenlieben und Leben en Des Knaben Wunderhorn. Waar antilopes zich niet al in verdiepen!

Ik streelde de doffe huid. De rechtervoorpoot lichtte ik op, maar die voelde stijf.

De ademstootjes aarzelden. Zij zou toch niet...?

Ik smeerde mijn voorhoofd in met haar Crème de Jour.

Ik zond e-mails naar het academisch centrum voor tropische dieren. Maar ik kreeg ze terug, undelivered. Ik belde een zoöloog van Artis, maar hij was naar Rwanda. Ik belde een cardioloog, maar hij had net een attaque gehad. Ik belde de ponyclub, maar die zeiden van paardantilope's, zoals de mijne, geen verstand te hebben daar het onvergelijkbare dieren zijn.

Een dierenvriend wilde ik spreken: wat zou hij doen als hij mij was? Maar hij was dieren gaan haten. Een echte vriend belde ik, wat zou hij mij kunnen raden? Bel maar vast een begrafenisondernemer, antwoordde hij. Bijna vijf maanden was ik alleen met het op sterven na dode beest geweest en hoe zou ik buiten haar kunnen?

Ik belde de vriend nog eens, maar hij nam niet meer op. Ook de begrafenisondernemer niet, wat mij als een hoopgevend teken voorkwam.

Een snorhaar trilde, dat kon wat worden. Nieuw stro! Maar een poot verroeren, nee.

Ik ging naar de winkel. Er was niemand. De straten waren leeg. De stad was stil. De tram stond verlaten op de rails. Een herdenking, zonder mensen.

Waar was ik? Ik vluchtte naar binnen, naar het koude beest. Ik pakte de Crème de Jour en balsemde het dier. Terwijl ik ook mijzelf insmeerde, zag ik tot mijn opluchting het beest elegant opspringen, lachend, alsof het me uitnodigde op haar rug te komen en dat deed ik. We reden. Ik voelde de steeds heftiger bewegingen van haar poten door mijn eigen lichaam schokken en al spoedig galoppeerden wij door een donkere tunnel. Eerst voelde ik nog mijn handen aan haar gedraaide horens. Maar toen de kramp van mijn vastklampende lichaam zich begon te ontspannen, voelde ik tegelijk een stevige sympathie voor de knappe ruiter die de teugels nu goed in handen had en zag ik langs de tunnelwand mijn vader en moeder oplichten en vervolgens het eerst stralende, maar vervagende gezicht van Antilope, zag ik op die wand mijzelf de viervoeter loslaten en nu helemaal los van het beest als een witte vogel door het donker vliegen, alleen, zag ik een schedel liggen en toen suisde ik naar het licht. Aan het eind van de tunnel stond een stralende mens, die mij wenkte.

Was jij het, nieuw?

Nee, ik zelf. Zonder voetstuk en met een vergeten afspraak.

mailIcon print |