*

 

Nastaren

Bert Keizer − 02/01/04, 00:00

Door overlijden en dementie moest ons ouderlijk huis ontruimd worden. Gelukkig is er bij ons niet echt iets te verdelen. Maar er valt wel een hele wereld uiteen nu het poetsmandje, de rozenkrans, het Pickwicktrommeltje, de kolenkit, de carbidlantaarn, de mouwplank, de hooikist, de melkbus, de wasborstel, het stilleven met kastanjes, de scheerdoos en de plank waar mijn moeder de overals van mijn vader op schoon boende, van elkaar wegdrijven, voorgoed afgevoerd in de achterbakken van onze auto's.

Thuis aangekomen liet ik mijn dochter trots het schilderijtje zien dat ik uit de conflagratie had meegesleept.

,,Vind je het geen heerlijk tafereeltje?''

,,Ik vind het prachtig omdat jij het zo mooi vindt,'' zei ze tactisch. Mijn vader heeft het geschilderd, ergens in 1950. Twee koeien in een weiland naast een hooiland. De Schans heette het. Ik heb er jarenlang koffie onder gemalen.

,,Als je het maar niet in de kamer ophangt,'' besloot mijn dochter het consult.

Nou had ik dit stomme schilderijtje niet voor de vergetelheid behoed om het in mijn eigen woning boven de vuilnisbak te hangen met de hoop in de ogen van de omstanders dat het daar gauw in zou vallen. Nee, dit moet bewaard worden waarbij ik er van uit ga dat het zijn koesterende werking nog lang na mijn dood zal behouden.

Dacht je dat nou echt? Tot deze ontruiming wel eigenlijk, maar ik zie nu in de ogen van mijn kinderen hoe deze voorwerpen er uit gaan zien na mijn dood: volstrekt oninteressant. Nou kan ik dat wel aan, waar het De Schans betreft, maar bij de vele katholieke snuisterijen die uit oude kerkboeken vallen kan ik het niet helpen te hopen op een nageslacht dat zich zal herinneren hoe dit geweest is. Niet voor mij, want ik leef nog, maar voor mijn ouders. Zij moeten door anderen in gedachten worden gehouden anders houdt het voor hen echt op met mijn dood.

Maar na die half afgewezen Schans durf ik niet goed bij mijn kinderen aan te komen met een klein prentje uit het Heilige Land waarop een kruisje van flinterdun olijvenhout uit Gethsemane is geplakt, en dat bovendien, zo vermeldt de tekst, korte tijd op het Heilig Graf geplaatst is geweest.

Of deze gedrukte vermaning uit 1957: ,,Men mag gebruiken: tot één uur voor de Communie alle niet-alcohol bevattende dranken en tot drie uur voor de Communie, alle voedsel en alle dranken. Water, zelfs spuitwater, mag men steeds gebruiken, zonder bepaling van tijd.''

De hopeloosheid van mijn onderneming blijkt pas goed als ik stuit op Bidprentjes van overledenen, die ik zelf niet eens weet thuis te brengen: ,,Gedenkt in uwe gebeden Johannes Bernardus Henneman geboren te Ambt Hardenberg 10 februari 1882 ...'' eindigend met: ,,Zijn lichaam wacht de Verrijzenis af op het St. Barbara Kerkhof te Heelsum, waar het op 15 februari d.o.v. werd begraven.'' D.o.v. is daaropvolgend, waarna er naar wij vrezen niks meer zal volgen, want zelfs aan dat afwachten is een definitief einde gekomen. Het kerkhof is reeds lang geruimd en er loopt nu een vierbaansweg door het gebied.

Al gaan wij het Niets in, ik zou willen dat wij nagestaard worden.

In ons verpleeghuis komt het wel eens voor dat iemand geheel onbeweend sterft en ik kan daar moeilijk tegen. Achtergebleven kleding wordt op bruikbaarheid onderzocht en eventueel voor anderen gebruikt. Foto's gaan de papierbak in. Waar ik ze in enkele gevallen weer uit heb gevist om te bewaren, omdat ik de overledene goed kende.

Zo zit ik na de dood van mevrouw W., een lieve duldende stakker die heel langzaam aan Parkinson bezweek, met een foto waar ze samen met haar man op staat. Een keurig echtpaar achter in de vijftig, hij niet echt prominent ondanks de zware hoornen bril, zij niet echt chique, ondanks de stola die zij op haar bloemetjesjurk draagt. Onschuldige, kinderloze mensen, te onnozel om een spoor achter te laten, behalve dan die foto uit 1961, waarop ze gedoemd naar je staan te grijnzen op hun mooie nieuwe vaste vloerbedekking.

Van mevrouw R. nu zo'n 15 jaar dood, heb ik een bruine envelop overgehouden met kiekjes uit haar jeugd in de dertiger jaren ergens rond Winterthur en Nürnberg, op rotshellingen, in naaldwouden en bij watervallen, in gezelschap van lachende jonge mannen in Lederhosen. In 1941 fotografeerde ze twee Wehrmachtsoldaten voor het station in Haarlem met een schattig hondje. Op de achterkant staat: Rümmer und Bieger mit Teddy. In 1941 ontving ze een foto uit Parijs waarop een groep Duitse soldaten losjes door de stad slentert langs Café Bar Le Vénitien. Op de achterkant staat: Zum Andenken aus Paris von Deinem Albert. In 1943 zit ze met prachtig wapperend haar halverwege een bergwandeling in het zonnetje mit Hans beim Aufstieg zum Tusaujoch.

Ik kende haar als blind na een hersenoperatie, een toestand die zij met veel humor doorstond, omdat ze er zeker van was dat een herstellende ingreep mogelijk zou zijn. Hierover telefoneerde ze eindeloos met iemand in Oostenrijk. Er kwam evenwel nooit bezoek. Over het verleden sprak ze niet: 'Allemaal voorbij'.

In die envelop zit ook een foto van een man met een klein meisje in het gras. Op de achterkant staat: 'Lian met Freddie in de tuin bij Pa en Ma. Djakarta October 1950. Ze heeft Hetty's jurkje aan.'

mailIcon print |