Sinds vorig jaar zingt hij niet meer en is hij alleen als bestuurslid van de Vrienden van de Nederlandse Bachvereniging nog verbonden met het koor waarin hij ruim dertien jaar als bas zong. Vooral in de lijdensweek mist Lex de Haan dat zingen meer dan hij van tevoren had gedacht.
,,De eerste keer dat ik de Mattheüs-Passie zong was in 1983 in Rotterdam met de Laurens Cantorij. De uitvoering stond in een liturgische context waarbij de muziek geheel in het teken werd gesteld van het woord. Later, toen ik vanaf 1989 bij de Bachvereniging kwam, lette je veel meer op de muzikale interpretaties van de verschillende dirigenten.'' Van de uitvoeringen die hij zelf zong, heeft hij er twee op cd. Die van Ton Koopman uit 1993 en van Jos van Veldhoven uit 1997. Maar kijkend naar zijn platenkast begint de geschiedenis van De Haan bij de elpee-uitvoering van Anton van der Horst op het label Discofoon ruim veertig jaar geleden: ,,Ik heb deze box gered uit de platenkast van mijn vader. Het was de tijd dat de Mattheüs nog werd uitgevoerd met moderne instrumenten door het Residentie Orkest. Kijk, Krebbers en Olof spelen nog mee en het koor is nog echt groot. De plaat is een typisch product van voor de 'revolutie' van Leonhardt, Koopman en Van Veldhoven die de Mattheüs begin jaren tachtig weer terugbrachten bij de barok. Bij Koopman spat het plezier er af. Anders dan de eveneens inspirerende maar precieze Herreweghe, die als het maar even 'niet juist was' aftikte, liet Koopman graag de teugels vieren met alle risico's van dien. Van Veldhoven werd steeds losser en onder Leonhardt had ik het idee dat ik het dichtste bij Bach zelf uitkwam.''
Ronduit spectaculair was de uitvoering onder leiding van Iván Fischer in 1994: ,,Hij splitste koor en orkest werkelijk in tweeën, zodat het publiek er letterlijk tussen kwam te zitten. Met name het effect van de turba-koren vond ik prachtig, maar technisch was het zwaar.''
Behalve een behoorlijke Bach-collectie heeft De Haan ook een zwak voor de Engelse componisten Byrd en Tallis en hun Italiaanse tijdgenoten Orlando di Lasso en Monteverdi. De laatste beschouwt hij net zo groot als Bach. Niet voor niets zou hij dan ook graag nog een keer ergens diens Maria Vespers zingen: ,,Echt daar heb ik alles voor over.'' Van Di Lasso noemt hij tot slot 'Lagrime di San Pietro' in de uitvoering van het Huelgas Ensemble van de kleurrijke en ooit omstreden Paul Van Nevel. Net als de Mattheüs staat het werk geheel in het teken van het lijdensverhaal. De Haan: ,,Afgezien van de religieuze betekenis blijft 't het ultieme drama. Neem nou Di Lasso. Dat je een heel muziekstuk van drie delen lang alleen maar uitweidt over de tranen van Petrus. Dat is niet alleen ontroerend maar ook fabelachtig.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.