*

 

Vroeg instappen of laat uitstappen

J. A. A. van Doorn − 10/04/04, 00:00

Het is een meer dan bekende problematiek: de vergrijzing van de bevolking en haar gevolgen voor de samenleving als geheel en voor de jongere generaties in het bijzonder. De steeds stijgende lasten vragen om onorthodoxe maatregelen, waaronder het streven naar verlenging van de economisch actieve periode, anders gezegd: arbeids- en sollicitatieplicht voor ouderen.

Het betekent een scherpe breuk met het verleden. Lange tijd was het usance oudere werknemers zoveel mogelijk te vervangen door meer productief geachte jongeren. In jaren van hoge werkloosheid gold dat bovendien als sociaal wenselijk: jeugdwerkloosheid diende tot elke prijs te worden voorkomen.

Deze politiek was een groot succes, niet in de laatste plaats omdat de ouderen onder financieel zeer aantrekkelijke condities werden 'afgevloeid'. Momenteel maken werkenden van zestig jaar en ouder dan ook een zeer kleine minderheid uit van deze leeftijdsgroep als geheel.

De huidige pogingen om de klok terug te draaien ontmoeten twee taaie weerstanden. Werkgevers zijn moeilijk af te brengen van hun voorkeur voor jonge, goedkope en flexibele werkkrachten. Oudere werknemers vinden het geen bezwaar op te stappen, mits ze er geldelijk niet te veel op achteruitgaan. Een laatste levensfase zonder arbeidsverplichtingen is voor velen een zonder meer aanlokkelijk vooruitzicht.

Niet werken blijkt bovendien gezonder -en voor gezondheid hebben wij alles over. Uit een recent gepubliceerd onderzoek van het demografisch instituut NIDI blijkt dat Nederlandse werknemers van 55 jaar en ouder van mening zijn dat stoppen met werk goed is voor de gezondheid en dat gepensioneerden het ook aan den lijve voelen. Ze zijn volgens ditzelfde onderzoek tevredener met hun gezondheidstoestand dan werkenden, ze gebruiken significant minder medicijnen en hebben minder contact met medisch specialisten.

Niet te lang werken is dus gewenst, prettig en gezond. Tevens wordt oudere werklozen de vernederende ervaring bespaard vergeefs te moeten blijven solliciteren. Ze hebben lang genoeg hun (arbeids)plicht vervuld. Laat ze met rust.

Alles goed en wel, zal men zeggen, maar wat te doen met de toch onmisbaar ernstige problematiek van de vergrijzing. De getalsmatige verhouding tussen werkenden en niet-werkenden is al scheef en wordt steeds meer scheef getrokken. Hoe moet het economisch draagvlak worden verbreed indien verlenging van de actieve levensfase achterwege blijft?

Naar mijn mening -mogelijk een wilde mening- zou die verlenging moeten worden gezocht, niet door senioren later te laten uitstappen maar door junioren eerder te doen instappen. Voor de oplossing van het vergrijzingsvraagstuk moet allereerst worden gekeken naar de leeftijdscategorie van pakweg 18 tot 28 jaar.

Het probleem heet: onderwijs. Nog maar goed een halve eeuw geleden verscheen de meerderheid van de bevolking rond het 14de tot 18de jaar op de arbeidsmarkt. Vandaag de dag is 'doorleren' normaal geworden en verblijft een zeer groot deel van de jongeren, in hun beste en actiefste jaren, in de schoolbanken. Ze dragen economisch niets bij, ze kosten alleen maar geld.

Natuurlijk ken ik het argument dat een moderne en gecompliceerde maatschappij een hoogontwikkelde bevolking nodig heeft, maar ik ben er niet van overtuigd dat het bestaande onderwijsstelsel en de omvang van de schoolbevolking daarmee gerechtvaardigd zijn.

Ik spreek uit enige ervaring. Ik heb bijna mijn hele leven als docent in het wetenschappelijk onderwijs doorgebracht en dus de groeiende studentenmassa jaar na jaar aan me voorbij zien trekken. Bovendien heb ik het twijfelachtige genoegen gehad om mij heen steeds meer fancy-studies te zien ontstaan, populair bij het jonge volk maar van povere kwaliteit en onduidelijk maatschappelijk belang.

Heel wat opleidingen zijn bovendien veel te lang: drie tot vijf jaar wordt standaard uitgetrokken voor een studiestof die door gemotiveerde studenten in enkele jaren gemakkelijk is te verwerken. Voor de meeste middenfuncties in ons arbeidsbestel zou men kunnen volstaan met een opleiding die het mogelijk maakt dat de afgestudeerden rond hun twintigste jaar op de arbeidsmarkt verschijnen.

Elk beroep is een samenwerking tegen leken, heeft Bernard Shaw gezegd. Dit geldt ook voor de professioneel onderwijsgevenden, gelovend in hun onmisbaarheid en ongevoelig voor eisen als efficiency en maatschappelijke kostenbesparing. Er is met het stroomlijnen en uitdunnen van de onderwijssector enorm veel geld te verdienen.

Het belangrijkste punt is echter dat daardoor veel meer jongeren eerder aan de slag zullen kunnen gaan. Anders dan de toch vrij nutteloze pogingen om ouderen alsnog aan het werk te zetten, vormt algemene onderwijsverkorting een probaat middel de inderdaad noodzakelijke omvang van de actieve bevolking te realiseren.

Het zou tevens een zegen zijn voor de jongeren zelf, een generatie van verwende en gemakzuchtige achterbankjeugd, onwillig de status van volwassenen te accepteren, rondhangend in Hotel Mama, bang om op eigen benen de grote wereld in te gaan.

Ziezo, een echt eigentijds, reactionair geluid, de Edmund Burke-stichting meer dan waardig.

mailIcon print |