Een jaar na de massale arrestaties en de schijnprocessen tegen 75 dissidenten is Cuba vooral bezig met het vinden van dollars voor de volgende maaltijd. Politiek is geen onderwerp. Castro is irrelevant geworden. Maar de dissidenten ook.
Ze zijn waarschijnlijk de enigen in Cuba die de massale arrestaties van vorig jaar herdenken: de moeders en vrouwen van de gevangenen zelf.
In het diepste geheim spreken ze af in een appartement in een drukke winkelstraat in Havana waar een paar extra passanten nauwelijks worden opgemerkt. Buitenlandse journalisten en diplomaten zijn met een vlugschrift op de hoogte gebracht: 'Ter plaatse zullen we bekijken wat we de dagen erna gaan doen'. Stiekem samenkomen in een achterkamer, het is in het Cuba van de 21ste eeuw de maximaal haalbare vorm van protest.
In de Calle Peñalver, waar vorig jaar dertig agenten dichter-journalist Raul Rivero oppakten, heerst totale kalmte. Op een stoepje vist een zwarte vrouw luizen uit de krullen van een kleuter. Op de hoek graait een man tussen rottende sinaasappelschillen. De rest van de straat zit binnen.
Uit de open ramen klinken geluiden van het duel tussen Industriales en Sancti Spiritus, een klassieker voor honkbal minnend Cuba. Rivero's vrouw Blanquita is een dag eerder vertrokken voor het driemaandelijkse bezoek aan haar man die aan de andere kant van het eiland twintig jaar gevangenisstraf uitzit. De afgebladderde gele gevel van zijn huis, het kapotte glas in de metalen deur, alles is exact hetzelfde gebleven.
Op een hoek van het Parque Central houdt de policia especializada een paar jongens aan. Zijn walkie-talkie pruttelt. ,,Ik heb hier twee sujetten uit Santiago de Cuba. Over.'' In zijn hand houdt hij twee smoezelige identiteitspasjes. Een paar meter verderop staan de bijbehorende jongens nerveus te wachten op wat komen gaat. Protesteren zou zinloos zijn.
De dienders worden goed beloond. Hun salaris is twee keer zo hoog als dat van een chirurg, tot voor kort het best betaalde beroep in wat ooit het land was van eersteklas gezondheidszorg voor iedereen.
Havana is vol gezet met de grijze politiebaretten, kleine schakels in de machtige machine van de staatscontrole. Ze hebben een duidelijke voorkeur: ze stoppen alleen mannen, tussen de 15 en 40 jaar oud en zwart; gelukszoekers uit de provincie die een paar dollar proberen mee te pikken van de twee miljoen toeristen die het land jaarlijks bezoeken.
Een groep Italiaanse toeristen hobbelt luidruchtig langs de agent, richting sigarenfabriek, even verderop. In de verte gaat een straaljager. Havana is deze week, toevallig of niet, het toneel van militaire oefeningen. Sirenes worden getest voor een toekomstig bomalarm. Reservisten zijn opgeroepen voor schietoefeningen.
'Zolang er strijdkrachten zijn, is er revolutie', staat er bij de ingang van de kazerne. Het Cubaanse volk moet klaarstaan voor als de Amerikanen komen. Sinds de inval in Irak, die samenviel met de arrestatie van de dissidenten, is Cuba zeker de volgende op het verlanglijstje van het imperialisten. Evacuatieplannen voor Havana liggen klaar. ,,In mijn geboortedorp zijn commissies langs geweest om te zien hoeveel hoofdstedelingen ieder huis kan herbergen'', zegt een onderwijzer serieus. ,,Zodra de invasie een feit is moet elk van de 169 gemeenten minimaal één Amerikaan per dag doden. Dat zijn 169 doden per dag. Dat houdt geen bezettingsmacht vol.''
Op een afgebladderde houten deur hangt een kleurenposter van vijf Cubanen die in Amerika zijn veroordeeld wegens spionage. 'Compatriotten', zegt Havana, wier enige taak was de maffiose Cubaanse diaspora in Miami te infiltreren en daarmee contrarevolutionaire acties te verijdelen. In een poging de Revolutie tastbaar te houden zijn straten, winkelcentra, aankomsthallen van de internationale vliegvelden en de lobby's van de toeristenhotels dichtgeplakt met foto's van de helden, 'Gevangenen van het imperium'. 'Kun je worden vervolgd voor het bestrijden van terrorisme? Wel als het in de Verenigde Staten is.'
De mythe van de Amerikaanse inval en de verering van onfortuinlijke compatriotten hebben de Cubanen niet bij de revolutionaire leest kunnen houden. In het dagelijks leven is de politiek opmerkelijk afwezig. Het triomfantelijke avondnieuws van de staatstelevisie wordt overgeslagen, of hooguit geconsumeerd als een onvermijdelijk onderdeel van de programmering op de enige zender. Niemand kijkt meer naar de urenlange uitzending van de zaterdagse 'Tribunas' waarop duizenden Cubanen met papieren vlaggetjes wapperen ter ere van de Revolutie, een gedwongen en zelfs in Cubaanse context bizar ritueel. Stil op straat wordt het pas als 'Het balkon met de varens' begint, de Braziliaanse soap over ontrouw en jaloezie.
Castro zelf is niet langer relevant. De Cubanen hebben het te druk met overleven. De binnenstad is een krioelend labyrint van zwarte handel, de ene gunst voor de andere, een liter benzine voor een stuk varkensvlees, een dakreparatie voor een fles bakolie, gestolen op het werk. Iedereen steelt van de staat. De handelswaar wisselt van eigenaar in witte plastic zakjes. Bij de kathedraal smeekt een oude man om een aalmoes bij een groepje Mexicaanse toeristen. Om de hoek staat een bord: ”Niemand zou ook maar de minste schade kunnen toebrengen aan onze briljante toekomst'.
Een huisbakker verkoopt slagroomtaart voor dollars. Het 'geld van de vijand' beheerst het leven. Cubaanse pesos doen dienst als speelgoedgeld voor rijst en bonen in de staatswinkels. In het hypermoderne winkelcentrum Las Puntillas koopt een jonge vader een wasmachine à raison van 2,5 keer zijn jaarsalaris in greenbacks: ,,Zonder mijn broer in Spanje zou ik zoiets nooit kunnen betalen.'' Che Guevara kijkt zorgelijk naar de einder op T-shirts en badhanddoeken.
Beneden worden auto's aangeprezen. Tegen de ruit van de showroom bejubelt een affiche '45 jaar Revolutie'. Pal erachter staat, temidden van de Lada's, het nieuwste sportmodel Alfa Romeo GTV te wachten op de klant die de 118000 dollar heeft om hem mee te nemen.
Dollars of geen dollars, dat is de hamvraag in Castro's jarige paradijs. 'Inventar' en 'escapar' zijn de meest gehoorde woorden: improviseren om in leven te blijven en iedere mogelijkheid aangrijpen om het land te verlaten.
De Comités ter Verdediging van de Revolutie, ooit de oren en ogen van het regime in de straat, bestaan alleen nog op papier. Voor sociale controle is geen tijd meer. Niet zelden vertrekken de leden van het Comité zelf naar Miami, precies zoals iedereen die uit Cuba vertrekt: zonder iets te zeggen. Ineens is je buurman verdwenen.
,,Dit land staat op stand-by'', zegt een 29-jarige docent van de universiteit. ,,Iedereen wacht. En iedereen wil weg. Hier is geen toekomst. We azen allemaal op een beurs of een verkering in het buitenland. Alles is geoorloofd, als je Cuba maar uit komt.''
En Fidel? Een oude man met ouderwetse ideeën, een obstakel is voor verandering. Iedereen klaagt, maar niemand noemt 'de baard' bij zijn naam. Uit angst, maar ook uit respect. Een interview van de comandante met de Chileense televisie wordt voor de derde keer uitgezonden. Volgens de fietsenmaker op de hoek ,,komt hij steeds moeilijker uit zijn woorden''. Hij zegt het zo neutraal mogelijk. Iedereen weet wat er moet gebeuren maar niemand weet wanneer het zal plaatsvinden. Het Grote Wachten duurt voort. Het kan morgen zijn, volgende maand, of over 15 jaar.
Die avond spreekt buitenlandminister Felipe Pérez Roque voor de mensenrechtencommissie van de Verenigde Naties in Genève. Hij scheldt op Amerika en roemt de 'gevangenen van het imperium'. Roque is jong en fanatiek. Taliban, noemen de Cubanen zijn soort.
Vorig jaar stelde de VN een speciale gezant aan om de situatie in Cuba te bekijken, maar die heeft nooit toegang gekregen. De Revolutie en de mensenrechten zijn alleen in het buitenland een onderwerp van discussie en protest. Het dagelijkse praatprogramma meldt een contrarevolutionaire actie van Journalisten Zonder Grenzen in het Europarlement - 'Journalisten Zonder Schaamte', schreef de staatskrant eerder in de week. Presentator Randy Alonso knikt. Randy knikt altijd. En als Fidel Castro aan tafel zit, knikt hij extra. Mag ik een Randy?, zeggen Cubanen als ze een knikkend hondje kopen voor de hoedenplank van hun auto.
Een opstand is ondenkbaar. ,,Cubanen protesteren niet omdat ze niet georganiseerd zijn. Iedereen hier is bang'', zegt een twintigjarige medicijnenstudent op het pleintje van de universiteit. Dissidenten kent hij niet. De arrestaties van vorig jaar herinnert hij zich evenmin.
De irrelevantie van de politiek geldt ook voor de oppositie. Oswaldo Payá, een van de bekendste leiders, haalde de afgelopen jaren 25000 handtekeningen op voor een referendum over democratie, een ware prestatie in Cuba. Maar een beweging op poten zetten is onmogelijk. Activisten, intellectuelen en andere potentiële leiders hebben het land jaren geleden al verlaten. Wie nog over was is óf vorig jaar gearresteerd, óf heeft sindsdien alsnog zijn hielen gelicht. Ook de laatste volhouders hebben het opgegeven.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.