Peter Henk Steenhuis volgt de ontwikkeling van de taal van zijn zoon. Aflevering 41: De metamorfosemachine
In de oudste verhalen van de mensheid wemelt het van de gedaanteverwisselingen. De goden laten zichzelf en hun menselijke tegenvoeters moeiteloos veranderden in spinnen, bomen, rotsen. Maar met het verstrijken van de tijd werden de verhalen literatuur, opgeschreven fantasie, die niets meer te vertellen had over de tastbare werkelijkheid. Wij zeggen nu dat alleen in primitieve samenlevingen fantasie en werkelijkheid door elkaar lopen.
Iets van die oude kunst van de metamorfose vinden we nog terug bij het kind - ook een primitief soort mens.
Voor de kleine baas, die inmiddels zijn derde verjaardag heeft gevierd, is de wereld nu een grote metamorfosemachine. Niets is wat het lijkt. De klamboe is een tent. Een schoen een telefoon. En toen hij een paar weken geleden uit Artis thuiskwam, brulde hij: 'Ik ben een leeuw'.
Hij bleef een leeuw, totdat hij 's avonds een moedervlekje op zijn moeders buik zag. Verbaasd viel hij uit zijn rol en vroeg: 'Wat is dat voor een vies ding?'
'Dat is een sproet.'
'Nee, dat is geen sproet, dat is een rozijntje.'
Hij vindt het ook prachtig als die metamorfosemachine op gang gebracht wordt. Zijn moeder heeft een roze badjas, en toen zij een keer 's ochtends binnenkwam met de baby op de arm, zei ik: 'Daar hebben we het grote roze varkentje.'
De kleine baas schaterde.
Vanaf dat moment was zijn moeder het grote roze varkentje, of het grote witte varkentje, of het grote zwarte varkentje, afhankelijk van de kledij. Totdat het genoeg was. Zijn moeder kwam 's ochtends weer een keer de kamer binnenlopen, in haar roze badjas. Maar er gebeurde niks. Hij zei: 'Jij bent geen varken, hoor mama.'
Hier liep fantasie en werkelijkheid niet door elkaar. Hier was even een oude god aan het werk, die zijn hand over het hart streek en met één zin een benauwende gedaanteverwisseling ongedaan maakte.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.