Wat zou het politieke lot zijn van Thom de Graaf, de eerste minister van D66 in het kabinet, als bekend zou worden dat hij al een tijdje moslim was? Een kleine zeventig jaar geleden begon omstreeks deze tijd van het jaar het gerucht te lopen dat de toenmalige leider van de vrijzinnig-democraten, Henri Marchant, minister van onderwijs in het tweede kabinet-Colijn, was overgegaan van de hervormde naar de rooms-katholieke kerk. Hij zou zich op tweede paasdag in het geheim hebben laten dopen in de abdij van Oosterhout. Onder druk gezet door zijn politieke verwanten gaf Marchant na verloop van enige dagen toe dat hij katholiek was geworden. Met deze erkenning zegde hij zijn lidmaatschap van de Vrijzinnig-democratische bond op. Hij wilde niet langer tot een partij behoren die de religieuze gezindheid van haar leden bepalend laat zijn voor het vervullen van een publiek ambt.
De top van de partij liet hem inderdaad als een baksteen vallen. Er speelden nog wel andere factoren mee, zoals zijn dominante karakter en langdurige leiderschap, maar doorslaggevend was zijn overgang naar het katholicisme, waar politiek en kerkleer in die tijd nog vrijwel samenvielen en de bisschoppen een grote invloed hadden op de Rooms-katholieke staatspartij. De overstap kon de vrijzinnig-democraten daarom niet onverschillig laten, vond Marchants rivaal en ambtgenoot Oud, die terstond aan Colijn meedeelde dat als Marchant aanbleef hij zou opstappen. Hierop liet ook de premier, omwille van het voortbestaan van het kabinet, de minister van onderwijs vallen, waarna deze aftrad. De vraag of De Graaf hetzelfde zou overkomen, indien hij moslim zou blijken, is voor een gedachte-oefening interessant.
D66 laat zich nog altijd kennen als de partij die bij uitstek met religie een moeizame verhouding heeft. Misschien nog wel meer dan voor de liberalen van de VVD geldt voor de vrijzinnig-democraten het Ni Dieu, ni maitre van de Franse revolutie dat, zoals Abraham Kuyper het uitdrukte, 'de mensch met zijn vrije wil op de troon plaatst'. D66 heeft zich onder dat adagium van begin af aan doen kennen als de partij van de individuele zelfbeschikking. In dat licht alleen is het nog te begrijpen ook dat de vrijzinnige minister Els Borst na de totstandkoming van de paarse euthanasiewet zei: 'Het is volbracht'.
Die wet markeerde, een eeuw nadat Marchant en Kuyper de degens kruisten, meer dan welke andere wet ook de overwinning van het beginsel van de menselijke soevereiniteit in onze rechtsordening en daarmee van de inzet van D66. Dat Borst om haar voldoening te uiten een kruiswoord van Jezus gebruikte, en dat nog wel op stille zaterdag, gaf, om het even of zij dat opzettelijk of uit argeloosheid deed, de geestelijke afstand aan tot degenen die over de teloorgang van het beginsel van de souvereiniteit Gods 'over alle geschapen leven' bedroefd zijn - om over de afstand tot de islamieten en hindoes in ons midden nog maar te zwijgen.
De ironie is dat direct na de verdrijving van God uit het publieke leven, Allah in onze samenleving zijn intrede deed en de politieke agenda zo overhoop haalde, dat deze weer het aanzien lijkt te hebben van honderd jaar geleden. Sommige politici roepen het vraagstuk van de immigratie en integratie zelfs uit tot 'de tweede sociale kwestie'. Vandaar dat ik - tot verbazing en zelfs ergernis van sommige lezers, tot genoegen van anderen - enkele geschriften van Kuyper al een tijdje onder direct handbereik heb. Deze anti-revolutionaire dominee, politicus en journalist voerde in zijn dagen strijd voor souvereiniteit in eigen kring en tegen 'de God in het staatsrecht verzakende geest, die in aller liberalen politiek zich belichaamt'. Hij zou de notitie van D66 over de integratiekwestie aanstonds als liberaal hebben herkend, omdat er zo'n grote moeite uit spreekt met de rol van religie in het publieke leven.
De titel De anderen, dat zijn wij moet aangeven dat de partij integratie als een wederkerig proces beschouwt. Dat houdt voor Turken en Marokkanen onder meer in dat zij zich inzetten voor de sportclub van hun kinderen, voor Nederlanders dat er 'niet alleen een Corneille, maar bijvoorbeeld ook het werk van een Arabische kunstenaar aan de muur komt te hangen'. Deze ruimdenkendheid van de vrijzinnig-democraten verkeert echter al gauw in zuinigheid waar de religie om de hoek komt kijken. Zo deelt de partij onder het kopje Het individu als maatstaf, bijna geeuwerig van burgerlijke verwatenheid, mee: D66 zit niet te wachten op een islamitische zuil. Motief: dat zou een ontkennning van de moderne tijd zijn.
De democraten hebben er zelfs 'echt bezwaar' tegen dat de overheid zich over integratiezaken van wereldse aard verstaat met religieuze en semi-religieuze organisaties. Ze kiezen daarmee bewust voor het marginaliseren van de islam en zetten zich daarmee af tegen degenen, vooral in het CDA en de PvdA, die de moskee en andere instituties van immigranten een verbindende rol toedenken tussen de culturen. Deze keuze brengt de principiele breuklijn in het tweede kabinet-Balkenende tussen liberalen en christen-democraten nog scherper in beeld.
D66-leider Dittrich zei bij de algemene beschouwingen dat hij zich liet inspireren door de 'systeemloze politiek' van Marchant, die niet uitging van een bepaalde ideologie, maar van de wensen van de vrije burger. Maar die wensen houden bij de democraten op, zodra de religie in het geding komt en daarmee de moderniteit wordt bedreigd. Marchant is daar tegenaan gelopen, toen hij katholiek werd. Hij was zich van die geest in zijn partij ook zeer bewust. Zijn geloofsovergang hield hij geheim, omdat hij er zeker van was dat bekendmaking zijn aftreden tot gevolg zou hebben en de stabiliteit van het kabinet-Colijn zou aantasten. Nu die geest nog onverminderd vaardig is onder de vrijzinnig-democraten, laat zich ook het antwoord raden op de hypothetische vraag naar het politieke lot van De Graaf, zou hij islamiet worden.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.