*

 

Heimelijke genoegens

Elma Drayer − 02/01/04, 00:00

Rokers zijn gelukkiger. Je hoeft alleen maar de directeur van Stivoro (Stichting Volksgezondheid en Roken) in actie te zien om die stelling volmondig te beamen.

Vreugdeloos beweegt ze zich over het televisiescherm. Als een sombere profeet leest ze het volk de les. Er kan geen lachje af. Ze is het levende bewijs: een rookvrij bestaan mag reuzegezond zijn, vrolijk word je er niet van.

Nee, dan rokers. Zie hun warme blikken van verstandhouding als ze elkaar betrappen op de gang. Zie hun gedeelde blijdschap als ze in het congrescentrum een hoekje-met-asbak ontdekken. Zie ze samen giechelen om de waarschuwingen op de sigarettenpakjes. Roken, begin er niet aan - dát maakt indruk, als je al twintig jaar rookt. Roken tast de kwaliteit van uw sperma aan - idem, als je rokjes draagt.

Ontelbaar zijn de heimelijke genoegens. Neem: bij een onbekende lange tijd uit modern fatsoen doen alsof je niet rookt, om dan bij toeval te ontdekken dat je allebei een pakje bij je hebt. Het voelt als overspel. Zou de directeur van Stivoro in haar brave universum ooit zulke samenzweerderige vreugden smaken?

Wie in dit tijdsgewricht nog steeds een sigaret durft op te steken, moet blijmoedig in het leven staan. Want het net sluit zich - met als voorlopig hoogtepunt de strenge wetgeving die gisteren is ingegaan. Roken is nu zo'n beetje overal verboden, een modale rookverslaving alleen nog te betalen voor de bemiddelde burger. De gezondheidspolitie is onmiskenbaar in een winning mood. En haar lange arm is overal voelbaar.

Lange tijd leek het zo'n vaart niet te lopen. O zeker, je had niet-rokers. Dat waren meestal ex-rokers die het licht hadden gezien. En die als ijverige bekeerlingen wilden dat de roker het ook zag. Maar die kon je nog betrekkelijk gemakkelijk de mond snoeren. De roker hoefde alleen maar fijntjes te wijzen op hun vroegere zwakheden.

De eerste tekenen van een veranderend klimaat dienden zich begin jaren negentig aan. Het kon ineens gebeuren dat een niet-roker op hoge toon eiste dat de roker zijn sigaret uitdoofde - zelfs in diens eigen huis. De daad maakte destijds nog indruk. Tjongejonge, vond menig getuige. In eigen huis? Gaat wel ver, zeg.

Het was nog maar de voorbode van wat de roker te wachten stond. Waren eerst alleen vliegreizen niet om door te komen vanwege hun rookloosheid, nu is ook een simpele treinreis Amsterdam-Groningen een kwelling. Mocht je eerst nog lekker roken aan je bureau als niemand er bezwaar tegen had, nu moet je naar een akelig hok met ronkende afzuiginstallatie en afgedankt meubilair. Keken bijdehante kinderen eerst op noch om als je een sigaret opstak, nu reageren ze met kuchgeluiden en wuifgebaren. Weet jij wel dat meeroken héél slecht is?

Vakanties moeten tegenwoordig met beleid en zorgvuldigheid uitgestippeld. Een verblijf in de Verenigde Staten is voor een beetje roker al jaren niet meer te doen. Het is zelfs nog erger dan eerst - omdat je nu haarfijn voelt dat wat dáár usance is, hier te zijner tijd bon ton wordt. Alleen in zonnige mediterrane landen laten ze zich niet gek maken. Paradijsjes zijn het, voor de rooklustige. De snelle asbakblik -even rondkijken of het mag- is er geheel overbodig. Nog wel.

In Nederland slinkt intussen het aantal principiële rokers met de dag. Steeds zeldzamer is de roker die zijn verslaving eerlijk onder ogen ziet én accepteert. Bijvoorbeeld omdat roken erg lekker is. Of kalmerend. Of omdat kerngezond, maar vreugdeloos de negentig halen geenszins een wenkend perspectief is. En een leven met kleine ondeugden wél.

Halfslachtige rokers, die zijn er in overvloed. Naar verluidt zijn gisteren liefst 700000 Nederlanders toegetreden tot het andere kamp. Beplakt met nicotinepleisters, kauwend op nicorette, gehypnotiseerd, beacupunctuurd, en met Allan Carr op het nachtkastje proberen ze hun verslaving te lijf te gaan.

Alle échte rokers weten wat dat betekent. Onder de flinkerds zijn maar weinigen die hun rug weten recht te houden. Maar netjes zelf een pakje aanschaffen doen ze niet meer. En dus staat de roker oeverloos gebiets te wachten. Ach, mag ik er nog eentje? Ik was eigenlijk gestopt, maar ... De roker op zijn beurt durft niet te weigeren, uit misplaatst schuldgevoel en in de vage hoop dat deze afgedwaalde zich wellicht bekeert.

Toegegeven, de propaganda van het antirookfront mist haar uitwerking niet. Zelfs de stoerste roker wil nu wel toegeven dat de nadelen van zijn ondeugd onmiskenbaar zijn. Nog afgezien van de welbekende enge ziekten: in één winter drie keer de cyclus van neusverkouden, keelpijn en hoestbuien doorlopen is geen pretje. Maar het is een zelfverkozen lot dat de roker gaarne draagt, en bij voorkeur zonder bemoeienis van buitenaf ('Moet je er vooral nog eentje opsteken').

Verongelijkt proberen rokers bij tijd en wijle terug te slaan. Kijk eens naar het snelgroeiende leger landgenoten met uitpuilende buiken, borsten, billen en dijen! Alsof die de gezondheidszorg niet op kosten jagen! Natuurlijk gaat de vergelijking jammerlijk mank. Een obese hamburgereter mag een onaangename aanblik bieden, hij treft met zijn verslaving uitsluitend zijn eigen welzijn. De roker daarentegen is ook de gevoelige medemens tot last.

Onder ons gezegd en gezwegen: rokers hebben geen been om op te staan. Ze kunnen maar beter hun mond houden. En zich vrolijk terugtrekken in hun minigetto's - tot dat malle gezondheidsfascisme is overgewaaid.

mailIcon print |