*

 

De rogge staat er weer dun bij

Hans Goslinga − 09/10/04, 00:00

Als anderen iets overhaast in de samenleving wilden veranderen, zei CDA'er Jan de Koning: ,,Je kunt een plantje niet aan zijn bladeren uit de grond trekken.'' Vermoedelijk zou het kabinet-Balkenende II, ondanks zijn harde beleidsprogram, meer vertrouwen bij de burgers inboezemen als het leiderschap van de ploeg, voorop de premier, iets van deze boerenwijsheid zou weerspiegelen. Maar de vraag is of het louter daaraan ligt dat dit kabinet zo'n ongekend lage vertrouwensscore laat zien.

De gebeurtenissen van 2002 hebben zichtbaar gemaakt dat er grote culturele veranderingen gaande zijn in Nederland. Maar in de jaren nadien is gebleken dat het nog niet zo gemakkelijk is die veranderingen in het politieke en sociaal-economische bestel vorm te geven. Er is welbeschouwd nog geen begin van overeenstemming over de wijze waarop dat zou moeten gebeuren. Sterker nog, het debat daarover wordt meer en meer weggedrukt door het primaat van het begrotingstekort en het zich snel ontwikkelende primaat van de veiligheid. Het gevolg is dat het bredere verhaal van het kabinet, het zoeken naar een nieuwe verhouding tussen overheid en burger en het heroveren van het publieke domein, al vrij snel in dat enge perspectief zijn komen te staan.

Zalm heeft aan dat proces bijgedragen door de bredere context af te doen als 'tegeltjeswijsheden'; Balkenende door bij de start van zijn tweede kabinet op te merken: ,,Nieuwe politiek? Wat was dat ook alweer?'' In die opmerkingen klonk een onderschatting door van de bewegingen die tot de revolte van de burgers hebben geleid. Op zich is het geen probleem dat de minister van financiƫn zich als een onvervalste penningmeester gedraagt -dat brengt zijn functie mee. Het levert wel problemen op als zijn calculator de ingang en de uitgang van het beleid bepaalt.

Daar kan tegenover worden gezet dat Balkenende als premier veel ruimte heeft genomen om zijn visie uiteen te zetten op de multiculturele samenleving, het belang van een scherp normen- en waardenbesef en de urgentie om de verantwoordelijkheden tussen burgers en overheid te herijken. Hij heeft in twee jaar tijd meer redevoeringen gehouden dan zijn voorganger Kok in acht jaar.

Maar het is hem vooralsnog niet gelukt zijn ideologische visie te koppelen aan een bindend leiderschap. Er is een overmaat aan ernst en gedrevenheid, maar een tekort aan gezag en relativering. Daardoor wint het slechte verhaal aan hardheid, terwijl het goede verhaal aan geloofwaardigheid verliest.

In de formatie van 2003 heeft Balkenende het belang beklemtoond van een kabinet dat een behoorlijke mate van ideologische samenhang vertoont. Dat was logisch na de periode van politieke indolentie, maar het lijkt erop dat de premier in dit streven wat ver is doorgeschoten. De politiek van vermijding onder de paarse coalitie gaf geen antwoord op de bewegingen en hartstochten in de samenleving, de politiek van confrontatie en politisering die dit kabinet volgt evenmin. Of dit kabinet zoveel ideologische samenhang vertoont, is trouwens maar de vraag. Het heeft er meer van weg dat de koopman en de dominee elkaar de nodige ruimte gunnen, maar niet in staat zijn samen tot een overtuigende, laat staan wervende boodschap te komen.

Naarmate dat minder lukt, zal het voor D66 moeilijker worden van de coalitie deel te blijven uitmaken. Voor deze partij valt of staat de steun aan dit kabinet met de mate waarin aan de burgers meer ruimte en verantwoordelijkheid wordt gegeven. Vice-premier Thom de Graaf heeft deze uitdaging steeds zo ruim mogelijk uitgelegd om de deelname van zijn partij te rechtvaardigen. Niet ten onrechte. De opvattingen die Balkenende in 2002 verkondigde over de noodzaak de burger meer keuzevrijheid, verantwoordelijkheid en zeggenschap te geven, waren goed te verbinden met het streven van D66 de ruimte van de burger te vergroten. Dat perspectief lijkt na een jaar regeren ver achter de horizon verdwenen. Zelfs de kansen op staatkundige vernieuwing in wat engere zin, een ander kiesstelsel en een rechtstreeks gekozen burgemeester, moet niet hoog worden geschat.

Het kabinet biedt vooralsnog niet meer dan een keuzevrijheid naar liberaal model, dat wil zeggen meer marktwerking op terreinen van publiek en sociaal belang, maar het is de vraag of de burgers daarop zitten te wachten. Het ging het CDA en D66 er toch om de mensen meer instrumenten te geven om hun burgerschap te ontplooien, zowel sociaal als politiek, niet om het domweg stimuleren van consumentengedrag.

Het wegvallen van de bredere dimensie zou wel eens het begin van het einde van deze coalitie kunnen zijn, omdat het de dynamiek van desintegratie in gang zet. De aankondiging van D66 om in weerwil van de afspraak in het regeerakkoord tegen afschaffing van de refendumwet op 1 januari te stemmen, is daar een eerste signaal van. Dat ontlokte aan de coalitiepartners prompt het dreigement om op andere punten in de hervormingsparagraaf hun eigen weg te gaan.

Het was ook geen goed teken dat Zalm de uitgestoken hand van Ser-voorzitter Wijffels weigerde om in het conflict met de vakbeweging over het prepensioen te bemiddelen. Van het kabinet kan volgens de ongeschreven regels van het spel niet worden verwacht dat het opnieuw over alles wil onderhandelen, maar de bereidheid naar nieuwe openingen te zoeken, zou er toch moeten zijn. De kroonleden van de Ser hebben laten blijken dat zij mogelijkheden voor een compromis zien. Wil het kabinet een bewijs leveren dat het over zijn eigen schaduw kan heenspringen, dan ligt hier een kans. Het alternatief is dat het in een steeds groter isolement terechtkomt en zijn hervormingen steeds moeilijker zal kunnen doorvoeren. Jan de Koning zou in deze situatie hebben gezegd: ,,De rogge staat er dun bij.''

mailIcon print |