*

 

Topscore zegt niets over onderwijs

Gonny ten Haaft − 18/12/04, 00:00

Nederlandse scholieren doen het goed in (internationale) onderzoeken. Zijn dit resultaten die de mopperaars op het Nederlandse onderwijs kunnen doen ophouden, of blijft er genoeg te klagen over?

De Nederlandse middelbare scholieren doen het goed, zo blijkt uit diverse onderzoeken die deze weken verschenen. Deze positieve resultaten staan haaks op het heersende beeld van het onderwijs: slecht gemotiveerde leerlingen, veel jongeren die voortijdig de school verlaten en een geringe doorstroom naar het hoger onderwijs. Hoe valt dit te rijmen?

,,Ik snap het ook niet'', verzucht Wim Meijnen, hoogleraar onderwijskunde aan de Universiteit van Amsterdam. ,,Kennelijk hoort het bij Nederland van dit moment. In Nederland wordt veel gemopperd: op het onderwijs en op andere terreinen. Om dit te verklaren, moet je kenner zijn van de Nederlandse ziel.''

Meijnen is lid van de Onderwijsraad, hét adviesorgaan voor het ministerie van onderwijs. De leden worden voor vier jaar benoemd, binnenkort loopt de termijn van de huidige leden af. ,,Daarom hebben we ons zelf ook de vraag gesteld hoe het er met het Nederlandse onderwijs voorstaat. Een soort zwanezang zeg maar: waar liggen de knelpunten, wat is er nodig? Tot onze verbazing luidde onze eerste conclusie: wat klagen we eigenlijk nog?''

Natuurlijk, haast Meijnen zich te zeggen, kan en moet het altijd beter. Toch mag best eens hardop gezegd dat de Nederlandse scholieren het beter doen dan menigeen denkt. ,,Wij hebben een internationale vergelijking gemaakt op basis van de onderzoeken van de laatste jaren. We waren zelf verrast hoe goed deze analyse uitvalt: Nederland doet het gemiddeld tot bovengemiddeld goed.''

Neem het zogeheten Pisa-rapport van de Oeso, dat anderhalve week geleden veel aandacht kreeg. Nederlandse middelbare scholieren eindigden in de top van de wereldranglijst op de vier onderzochte 'domeinen': wiskunde, leesvaardigheid, natuurwetenschappen en probleemoplossend vermogen.

Deze week bevestigden de resulaten van het internationale Timms-onderzoek dit beeld. Nederlandse scholieren (tweede klas middelbare school) behoren in de exacte vakken tot de top tien, Aziatische scholieren voeren de ranglijst aan.

Ook het jaarlijks Trouw-onderzoek naar de schoolprestaties van leerlingen (Trouw, 11 december) laat zien dat de middelbare scholen in de afgelopen jaren beter zijn gaan presteren. Grofweg een op de drie scholen doet het beter dan in 2001/2002: de helft blijft gelijk.

Alle onderzoeken overziende, zegt Meijnen, doet Nederland het goed. ,,We hebben weinig echte 'onderkant': we slagen er goed in de zwakkere leerlingen mee te trekken. Maar we hebben ook weinig echte top. In die zin weerspiegelen deze resultaten de Nederlandse middenklasse-samenleving.''

Voor Paul Jungbluth, onderwijssocioloog aan de Universiteit Nijmegen, gaat zo'n conclusie te ver. Internationale onderzoeken die uitwijzen dat Nederlandse scholieren goed scoren, zeggen volgens Jungbluth niets over het Nederlandse onderwijs. ,,Als je wilt onderzoeken hoe goed ons onderwijssysteem is in vergelijking met andere landen, moet je vergelijkbare schoolbevolkingen onderzoeken. In het Pisa-onderzoek is dit niet gebeurd.''

Jungbluth heeft de nodige kanttekeningen bij de Nederlandse steekproef uit dit onderzoek. Zo deden er relatief weinig scholieren mee bij wie er thuis een niet-Nederlandse taal gesproken wordt. Ook gaven relatief veel respondenten zelf aan dat hun ouders een hooggeschoold beroep hebben.

,,De onderzoekers tekenen hierbij aan dat dit misschien in werkelijkheid niet zo is. In Nederland is het vrij ongebruikelijk om leerlingen naar het beroep of de opleiding van hun ouders te vragen, dus zouden de leerlingen op dit punt overdreven kunnen hebben'', vertelt Jungbluth. ,,Ik denk eerder dat het wél klopt wat de leerlingen over hun ouders zeggen -ik denk dat de steekproef gunstig is geweest. De echt problematische leerlingen zullen zich ook niet voor zo'n onderzoek hebben gemeld. In Nederland is er bij zulke onderzoeken niet een strikte, autoritaire sfeer die maakt dat ook de problematische leerlingen meedoen.''

De onderwijssocioloog maakt graag een vergelijking om te illustreren waarom hij de samenstelling van de steekproef zo belangrijk vindt. Stel, zegt Jungbluth, dat je wilt weten of iemand in zijn woon-werkverkeer zuiniger rijdt dan een ander. Gegevens over het brandstofverbruik zijn voldoende om deze vraag te beantwoorden.

,,Maar als je bovendien wilt weten hoe dit komt, dan moet je ook nagaan of de afstand van huis tot werk bij de een groter is dan bij de ander. Denk je vervolgens dat het aan zijn auto ligt, dan moet je ook nog nagaan of de auto's gelijksoortige trajecten afleggen. Rijden beide auto's in de stad, op de snelweg, zijn er hoogteverschillen?''

Hij wil maar zeggen: uitspraken over het Nederlandse onderwijssysteem, in termen van een kwaliteitsoordeel, zijn pas mogelijk als vergelijkbare leerlingen met elkaar worden vergeleken. ,,De onderzoekers hebben zelf ook gezegd dat er nog veel nader onderzoek nodig is. Ongetwijfeld gaan ze dan op deze vragen in. Daar wil ik eerst op wachten.''

Wim Meijnen vindt alle recente onderzoeken wel overtuigend genoeg om een balans te kunnen opmaken. Het gaat goed, behalve op drie -belangrijke- punten. Het percentage voortijdig schoolverlaters is relatief hoog, het aantal leerlingen dat voor exacte vakken/studierichtingen kiest is relatief laag en de segregatie in het onderwijs wordt groter. ,,Het aantal zwarte scholen neemt sneller toe dan in andere landen.''

Het zijn geen punten die Meijnen somber stemmen. ,,Je kunt wel zeggen 'de top moet beter', maar je kunt van alles willen. En dat voor heel weinig geld: vergeleken met andere landen, geven wij het minste uit. Juist het voortgezet onderwijs is in Nederland goedkoop -Nederlandse docenten maken veel uren en hebben grote groepen. In de toekomst kan dat problemen geven, omdat dit aankomend docenten mogelijk afschrikt.''

Ook Robbert Sikkes, al jaren onderwijsjournalist en nu hoofdredacteur van het vakbondsorgaan Het Onderwijsblad, vindt dat de nieuwste onderzoeken duidelijk maken dat 'het eindeloze gemopper' moet worden genuanceerd. ,,Deze goede scores moeten we in onze zak steken. Het is jammer dat de bollebozen het niet zo goed doen, maar het gemiddelde niveau is hoog en de achterstandskinderen doen het relatief goed. Wel vraag ik me af hoe we dit, met zo weinig geld, kunnen volhouden.''

Ria Bronneman, onderzoekster bij het Sociaal en Cultureel Planbureau, deelt het optimisme van Meijnen en Sikkes niet. Zij verklaart de goede scores in de internationale onderzoeken uit het type vragen dat de leerlingen is voorgelegd. ,,Bij de vragen in het Pisa-onderzoek ging het om het herkennen en toepassen van wiskundige vaardigheden in alledaagse problemen, níet om de vanouds bekende abstracte en theoretische wiskundekennis die voor een bèta- of techniekstudie nodig is. Voor een land dat zich als kennisland wil profileren, zijn hoge scores op dit soort vaardigheden niet genoeg.''

Deze Pisa-vraagstelling komt wél overeen met een belangrijke ontwikkeling in het Nederlandse voortgezet onderwijs: steeds meer scholen leggen de nadruk op praktische vaardigheden en op lessen die aansluiten bij de dagelijkse leefwereld van jongeren. Feitenkennis en theorie raken uit. ,,Dit gaat ons opbreken, dat zie je nu al bij vergelijkende examens die sollicitanten voor functies bij de Europese Unie moeten maken. Onze feitenkennis blijkt dan slechter dan in de rest van Europa. Ook zijn we geneigd onze talenkennis te overschatten.''

De SCP-onderzoekster noemt nog een belangrijke reden waarom het Nederlandse onderwijs haar zorgen baart: Nederland telt relatief weinig jongeren die afstuderen aan een hbo of universiteit.

,,In andere landen neemt het aantal afgestudeerden veel sneller toe dan bij ons. We hebben nu ambitieuze doelstellingen om het rendement van het hoger onderwijs te verbeteren, bijvoorbeeld door méér mbo'ers te laten doorstromen naar het hbo. Maar ik vraag me af of zulke kwantitatieve doelstellingen niet ten koste zullen gaan van de kwaliteit, in termen van het niveau van de afgestudeerden.''

Tel daarbij op, zegt Bronneman, alle maatschappelijke ontwikkelingen die het onderwijs onder druk zetten. ,,Er zijn steeds meer allochtone kinderen uit achterstandsmilieus. Ook is de kinderloosheid bij hoogopgeleide vrouwen relatief hoog en zal het aantal eenoudergezinnen naar verwachting stijgen. Het percentage kinderen dat extra zorg of onderwijstijd nodig heeft, neemt eerder toe dan af. Hoe handhaven we dan de huidige kwaliteit van het onderwijs, als we ook weten dat het tekort aan leraren toeneemt?''

mailIcon print |