Nederlandse literatuurrecensenten zijn er helaas meester in zelfs de taal aan mode onderhevig te laten zijn. Daarmee ontnemen we onszelf het genot van prachtige beschrijvingen.
Dat nog nooit een Nederlandse auteur de Nobelprijs voor letterkunde heeft gekregen, betekent wellicht dat onze literatuur internationaal geen hoge ogen gooit. Ik denk weleens dat dit te wijten is aan onze literatuurkritiek, die als benedenmaats door de mand valt, in die zin dat goed spul genadeloos wordt neergesabeld en prullen de hemel in worden geprezen.
Zo lees ik zaterdag in Trouw over 'Een vriend voor de schemering' van Hans Warren: ,,Zinnen als deze kunnen anno 2005 echt niet meer: 'Het avondrood vergloeide al op de beslagen ruitjes toen Bahri ontwaakte, rillend van koorts en pijn.'' Wat kan anno 2005 dan wel? Vermoedelijk een zin als deze, van een van onze onverbiddelijke puikschrijfsters Heleen van Royen: 'Ik veegde mijn kut af en trok mijn broek op' -die ik eerlijkshalve in een recensie van Trouw niet tegen ben gekomen.'
Ik verslind al zo'n 55 jaar boeken, ik heb de gewraakte zin van Warren een keer of tien gelezen en vermag nog steeds niet in te zien waarom ze 'anno 2005 echt niet meer kan'.
De schrijver geeft hier in 16 woorden pertinente informatie over het lichamelijk welbevinden van Bahri, over het deel van de dag, over de gesteldheid van het zwerk en over het effect dat zij heeft op de beglazing van de kamer. Dit alles in klare taal, met dien verstande dat 'vergloeien' weliswaar niet alledaags maar toch helder -om niet te zeggen: glashelder- is.
De recensie in Trouw blijft me intrigeren. Met een beetje goede wil kan men uit het stukje destilleren dat volzinnen als de onderhavige in 1951 nog wel door de beugel konden. Waarom eigenlijk? Het antwoord had ik graag van deze verlichte geest opgestoken, waar wij het er allen toch over eens zijn dat er geen eeuwige, universele schoonheidscanon bestaat.
Ik weiger aan te nemen dat de mens van 2005 zinnen als die van Warren niet meer kan lezen. Ik lees regelmatig nog mevrouw Bosboom-Toussaint en de dames Wolff en Deken, met groot plezier. Bij de laatsten voegt de maagdelijke joffer Saartje Burgerhart de man van de wereld die van haar een kusje tracht te stelen, toe: Schelm! Deugniet! Booswicht! Is dat niet vertederend? Dat is andere koek dan Heleen van Royens woorden. Ja, het hoge woord moet er maar uit: ik ben zelfs zo diep gezonken dat ik van tijd tot tijd Van Lennep opsla, de praatvaer die niet kijkt op een hoofdstuk meer of minder.
Van Nederlanders wordt gezegd dat zij door de bank genomen geen historisch besef hebben. Dit heeft onder meer als gevolg dat zij letterkundige werken niet in hun historische context weten te plaatsen. Maar als de Nederlander anno 2005 een tekst anno 1951 niet meer kan pruimen, althans volgens Trouw, dan zal hij ook de gezusters Brontë, Alessandro Manzoni, Marcel Proust, Theodor Fontane en de oude Russen naar de papierversnipperaar willen sjouwen, want bij deze auteurs (en bij honderden andere) wemelt het van tekst als de gewraakte.
Ik ben zo ouderwets en eigenwijs ook anno 2005 vol te houden dat mooiere natuurbeschrijvingen dan die uit de pen van Adalbert Stifter (1805-1868) nog geboren moeten worden. De afgelopen weken heb ik een paar van zijn boeken herlezen. Vele bladzijden besteedt hij aan het schetsen van beemd, bos en berg; intussen wordt er weinig of niets gezegd of gedaan; laat staan dat er wordt gekeesd op de keukentafel.
Is nu in het Duitse taalgebied Stifters oeuvre weggestouwd in de rommelkist met het kaartje 'Kan echt niet meer'? Integendeel. Zijn romans en novellen worden regelmatig herdrukt (en gekocht), een van zijn werken is zojuist verfilmd en in zijn geboortestreek Bohemen is te zijner ere een literaire wandelroute uitgezet, waarnaar bijvoorbeeld vanuit Oostenrijk busdagtochten worden georganiseerd.
Pikante noot: in dezelfde Trouw-rubriek vond ik een recensie van Jiménez' 'Platero en ik', waarin kennelijk als kleinood wordt aangehaald: ,,Jouw ogen, die jezelf niet ziet, Platero, en die je zachtmoedig naar de hemel opslaat, zijn twee prachtige rozen.''
Kan iemand mij uitleggen waarom dat goed is en het citaat uit Warren niet? Of is de literatuurredactie van Trouw een soort Animal Farm, waarin bij tijd en wijle wordt gescandeerd: 'Jiménez mooi, Warren lelijk?
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.