en dat heeft het aardige plantje niet verdiend. Beguicheld was je als je niet goed bij je verstand was en daar scheen het plantje tegen te helpen. Dodonaeus (1554) wist daar niets van, maar schreef het plantje geneeskracht tegen veel narigheid toe. Hij onderscheidde guichelheil met rode (manneken) en guichelheil met blauwe bloemen (wijfken): ï Van dese cruyde wordt gheschreven dat Guychelheyl met den blauwen bloemkens/den eersderm die wthanght doet in gaen/ende dat die Guychelheyl met den rooden bloemkens/contrarie van dijen doet ende den eersderm doet wt gaen.ï Het is maar dat je het weet.
Niet bloeiend lijkt guichelheil op gewone vogelmuur, zoals je dat in plantsoenen en moestuinen vindt. Het is een akkerplantje, dat ook wel in moestuinen groeit, maar niets met muur te maken heeft. Muur is een lid van de sterremuurfamilie, naverwant aan de anjers; guichelheil hoort bij de sleutelbloemfamilie. In de stad vind je guichelheil soms in het plantsoen. Het mooist groeit het in open bermen in de duinen. De steenrode en soms blauwe bloemen van de guichelheil gaan alleen bij zonnig weer open.
In bosranden krioelt het nu van de insecten: schorpioenvliegen, langsprietmotten, verschillende soorten kleine spanners, zweefvliegen, boktorren, goudhaantjes, glinsterend groene snuittorren op brandnetels, andere snuittorsoorten op allerlei struiken en bomen, de eerste springende schuimcicaden (de volwassen dieren van de bekende 'schuimbeestjes') en jonge sabelsprinkhanen.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.