*

 

Wouter Bos moet kleur bekennen

door Marleen Barth − 07/05/05, 00:00

Wouter Bos kan wel zeggen dat hij de middenklasse meer wil ontzien, maar over welke middenklasse heeft hij het? De PvdA-leider moet een keuze maken.

In een interview met Trouw van 29 april stelt Wouter Bos het traditionele denken over gelijkheid en solidariteit binnen de PvdA ter discussie. Dat is noodzakelijk, zo stelt hij, omdat bij een te eenzijdige nadruk op solidariteit met de laagstbetaalden, arbeidsongeschikten en werklozen, de middenklasse zich nog verder zal terugtrekken in het eigen bastion.

Het betoog van Bos legt zeker een aantal fundamentele vraagstukken bloot. In een tijd van individualisering is het lastiger om mensen warm te krijgen voor omkijken naar elkaar, zeker als de kwetsbaarste groepen steeds minder kenmerken delen met de middenklasse. Diezelfde middenklasse voelt zich kennelijk steeds minder kwetsbaar voor risico's als werkloosheid, ziekte en arbeidsongeschiktheid. Dat zet de bereidheid voor het overeind houden van een sociaal vangnet vergaand onder druk. Reden waarom, zegt Bos, mensen niet langer vreemd moeten opkijken als zijn PvdA ook gaat pleiten voor maatregelen die een denivellerend effect hebben op de inkomensverhoudingen in Nederland; zoals een algemene lastenverlichting van 200 euro of het afschaffen van het lesgeld voor leerlingen van 16 jaar en ouder (dat wordt gecompenseerd voor de lagere inkomens).

Toch kent de redenering van Bos een fundamentele zwakte. Die Achilleshiel in zijn betoog is de vraag: over welke middenklasse heeft hij het eigenlijk? Zo'n 80, 85 procent van de Nederlanders kan qua inkomen en leefwijze tot de middenklasse gerekend worden. Aan de ene kant vertoont die groep overeenkomsten, zoals een inkomen in de middelste belastingschijf, anderhalve baan, anderhalve auto en 1,6 kinderen per gezin. Tegelijkertijd bestaan er binnen deze groep natuurlijk ook grote verschillen. En het is de vraag waar Bos binnen die middenklasse zijn prioriteiten legt.

Om maar eens concreet te worden: wat wil hij gaan betekenen voor de honderdduizenden mensen die werken in dezelfde publieke sector van wie hij betere prestaties verwacht? Het is pas drie jaar geleden dat het rapport-Van Rijn constateerde dat de arbeidsvoorwaarden in de publieke sector op geen enkele manier kunnen concurreren met die van de marktsector.

Bos laat zich daar wijselijk niet over uit. Maar wat wil hij gaan betekenen voor de jonge lerares in het speciaal onderwijs, die in Haarlem woont, in Purmerend werkt en elke maand 100 euro mag toeleggen op haar werk, omdat zij haar reiskosten niet vergoed krijgt? Of wat te denken van een van haar collega's, die werkt op een zwarte school in de binnenstad van Den Haag en wil verhuizen omdat hij zijn reiskosten niet vergoed krijgt? Het vinden van een betaalbare woning is in de grote steden voor leraren, politiemensen en verpleegkundigen bijna onmogelijk.

Dan hebben we het nog niet over het verdwijnen van duizenden banen in verzorgingstehuizen en scholen, die een direct gevolg zijn van maatregelen van het kabinet.

De zwakte in het verhaal van Bos is dat werknemers in zorg, onderwijs, politie en andere publieke diensten uiteindelijk allemaal betaald moeten worden uit dezelfde staatskas waar hij algemene lastenverlichting of andere denivellerende inkomensmaatregelen uit bekostigen wil. Ook Bos beseft vanzelfsprekend dat een euro maar een keer kan worden uitgegeven.

Vraag is dus waar hij zijn prioriteiten legt: bij versterken van de inkomenspositie van de middenklasse -ook het deel met goedbetaalde banen en een auto van de zaak voor de deur- of bij het investeren in goede arbeidsvoorwaarden, optimale arbeidsomstandigheden en meer collega's voor de honderdduizenden werknemers in de publieke sector. Deze werkers vormen de ruggengraat van de middenklasse. Het zijn bovendien de mensen die dag in, dag uit werken aan het opvangen van de problemen van een desintegrerende samenleving. Hun motivatie ligt vaak in ouderwetse solidariteit met de zwakste groepen: ouderen, kinderen, zieken.

De Nederlandse bevolking heeft overigens het antwoord op de vraag waar het zwaartepunt mag liggen allang gegeven: vier op de vijf Nederlanders betaalt graag wat meer belasting voor beter onderwijs. Leraren en onderwijsondersteunend personeel willen graag betere kwaliteit leveren en voldoen aan de eisen die de samenleving stelt. Maar nog steeds geldt dat de cost voor de baet uytgaat. Tijd om kleur te bekennen!

mailIcon print |