De Amerikaanse schrijfster Susan Sontag, die op 28 december overleed aan leukemie, genoot sinds de jaren zestig een zeldzame roem in het Westen. Ze schreef: 'De waarheid is dat Mozart, Pascal, de symbolische logica, Shakespeare, het parlement, barokke kerken, Newton, de vrouwenemancipatie, Kant, Marx en de balletten van Balanchine niet opwegen tegen wat deze specifieke beschaving de wereld heeft aangedaan. Het blanke ras is de kanker van de menselijke geschiedenis.' Roger Kimball, hoofdredacteur van The New Criterion: 'Wat kun je hierop zeggen?'
Toen een vriend me vanmorgen belde met het nieuws dat Susan Sontag op 71-jarige leeftijd was overleden, was ongeveer het eerste wat ik dacht: 'morgen zal er vast een enorm, hagiografisch in memoriam op de voorpagina van The New York Times staan'. Kijkt u eens of ik gelijk heb. Terwijl u zich voorbereidt op de lofzang in de Times - waarin ongetwijfeld gewag zal worden gemaakt van de scherpzinnige kritische intelligentie waarover Sontag beschikte en het 'moedige' en uitdagende 'dissidente' geluid dat ze liet horen (de aanhalingstekens lopen wat vooruit: laten we zien of de Times deze woorden inderdaad gebruikt) - is hier een andere 'moedige', 'scherpzinnig intelligente' dissidente stem, die van Salman Rushdie, die haar de volgende lof toezwaaide in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Amerikaanse PEN-club:
'Susan Sontag was een groot literair kunstenaar, een onbevreesd en oorspronkelijk denker, altijd op de bres voor de waarheid, en een onvermoeibare bondgenoot in menige strijd. Zij zette een standaard van intellectuele strengheid waar ik en haar vele overige bewonderaars ons blijvend op zullen richten, ze hamerde erop dat literair talent de verplichting inhield je uit te spreken over de grote actuele vragen, bovenal de verplichting de soevereiniteit van de scheppende geest en verbeelding te verdedigen tegen elke vorm van tirannie.'
Wie een sterke maag heeft kan de hele lofrede van de heer Rushdie lezen op internet.
Er kan geen twijfel over bestaan dat Susan Sontag, de nestor van de radical chic (om Tom Wolfe's passende neologisme te gebruiken), in de jaren zestig en zeventig een zeldzame beroemdheid genoot. In overeenstemming daarmee was haar invloed in die decennia en daarna groot. De vraag is of het een weldadige of verderfelijke invloed was. Sontag werd gevierd als een top-intellectueel. Maar in feite bood ze niet zozeer argumenten of inzichten alswel schijnargumenten en emotioneel gekleurde inzichten. Ik heb uitvoerig over Sontag geschreven in mijn boek The Long March: How the Cultural Revolution of the 1960s Changed America. In het nu volgende put ik uit dat boek en enkele andere geschriften over haar.
Sontag brak door in de vroege jaren zestig met een aantal bijzondere essays: 'Notes on Camp' (1964) en 'On Style' (1965) in Partisan Review; 'Against Interpretation' (1964) in Evergreen Review; 'One Culture and the New Sensibility' (1965), waarvan een verkorte versie eerst in Mademoiselle verscheen; en verschillende essays en besprekingen in de zojuist gelanceerde New York Review of Books. Bijna van de ene dag op de andere staken deze essays de lont in het intellectuele kruitvat en maakten de auteur razendsnel beroemd.
Niet dat Sontag unaniem werd geprezen. De criticus John Simon, om maar één voorbeeld te noemen, vroeg zich in een scherpe brief aan Partisan Review af of Sontags 'Notes on Camp' niet zelf 'slechts een voorbeeld van camp was'. Nee, de belangrijke elementen waren de alertheid, de snelheid en de intensiteit van de respons. Voor of tegen - Sontags essays prikkelden het debat: ze droegen er aanzienlijk toe bij dat het klimaat van het intellectuele debat zelf veranderde. Haar eis, aan het eind van 'Against Interpretation', dat we 'in plaats van een hermeneutiek een erotiek van de kunst nodig hebben'; haar bejubelen van camp, waarbij 'het erom gaat het serieuze te onttronen'; haar lofzang op de 'nieuwe sensibiliteit' van de Sixties, waarvan de volgelingen volgens haar 'hebben gebroken, of ze het weten of niet, met Matthew Arnolds opvatting van cultuur, die ze in historische en menselijke zin verouderd vinden' - in deze en andere soortgelijke uitspraken gaf Sontag geen argumenten, maar verwoordde een stemming, een toon, een sfeer.
Het gaf niet dat veel ervan uitgesproken nonsens was; het was evengoed onweerstaanbare nonsens. Het deed er bijvoorbeeld niet toe dat de hele notie van een 'erotiek van de kunst' lachwekkend was. Iedereen houdt van seks, maar praten over 'erotiek' lijkt zoveel sexier dan praten over 'seks', en natuurlijk houdt iedereen van kunst. Hoe komt het toch dat niemand eerder op het idee is gekomen die twee op deze intelligente wijze met elkaar in verband te brengen? Waarom moeilijk doen met zoiets vervelends als 'interpretatie' - die, suggereerde Sontag, heden ten dage 'reactionair, irrelevant, laf en geestdodend' was, 'de wraak van het intellect op de kunst' - als we in plaats daarvan erotiek konden hebben (of beweerden te kunnen hebben).
In 'Susie Creamcheese Makes Love Not War', een vernietigende - en vernietigend leuke - bespreking van Sontags oeuvre tot 1982, merkte de criticus Marvin Mudrick op dat Sontag ,,een criticus is wier halfgare ideeën een afvalproduct zijn van de banketbakkers van het naoorlogse Franse intellectualisme. Waar het haar om gaat is niet waarheid of oprechtheid of consistentie of realiteit, maar 'stijl' en lef.''
Mudrick is bijzonder goed thuis in Sontags gebruik van het woord 'exemplarisch': 'de ideeën van Barthes hebben een exemplarische samenhang'; 'sommige levens zijn exemplarisch, andere niet'; Rimbaud en Duchamp waren 'exemplarisch' in het opgeven van de kunst voor respectievelijk wapensmokkel en schaken; 'zwijgen kan een beslissing zijn - in de exemplarische zelfmoord van de kunstenaar'; etc. Als Mudrick ingaat op Sontags ontboezemingen over zwijgen en stilte - 'de stilte van de eeuwigheid bereidt ons voor op een denken voorbij het denken, dat vanuit het perspectief van de traditie de indruk moet maken van... helemaal geen denken' - wijst hij terecht op de gelijkenis tussen Sontag en die andere wijze van de stilte, Kahlil Gibran: 'Is stilte of het praten erover', vraagt Mudrick, 'ooit ergens zo... exemplarisch geweest?'
Norman Podhoretz heeft gesuggereerd dat de snelheid van Sontags opkomst deels was toe te schrijven aan het vervullen van de rol van 'Dark Lady'1 der Amerikaanse letteren, die vrijkwam toen Mary McCarthy was 'gepromoveerd tot de eerbiedwaardiger status van Grande Dame als beloning voor haar jarenlange prachtige staat van dienst. De volgende Dark Lady moest net als zij intelligent zijn, ontwikkeld, knap om te zien, en in staat tot het schrijven van zowel kritieken met de vertrouwde, typisch New Yorkse intellectuele toon alswel fictie met een flinke scheut gewaagdheid'. De 'nadruk op gewaagdheid', merkt Podhoretz op, was sterk toegenomen sinds de dagen van McCarthy: ,,in een periode die door Sherry Abel die van de 'net(blauw)kous' is genoemd, mochten verwijzingen naar perversies en orgiën niet ontbreken.''
Pornografie
In dit verband is het de moeite waard te wijzen op één van Sontags karakteristieke teksten, 'The Pornographic Imagination' (1967), die is opgenomen in Styles of Radical Will (1969), haar tweede essaybundel. Eigenlijk is het een verdediging van de pornografie - hoewel natuurlijk niet als iets louter wellustigs; Sontag is geen voorstander van pornografie op de manier van de doorsneeklant: om de inhoud ervan, om de geilheid die erdoor wordt gestimuleerd. In plaats daarvan pleit ze voor pornografie vanwege de 'formele' middelen tot 'transcendentie'.
Het mag geen nieuws heten dat de seksuele extase vaak het terrein heeft betreden van de religieuze retorica en omgekeerd; noch is het nieuws dat pornografie vaak religieuze metaforen gebruikt. Dat maakt deel uit van haar perversiteit, haar blasfemie. Maar Sontag kiest ervoor pornografie serieus te nemen als een oplossing voor de spirituele leegte van de moderne seculiere cultuur.
Een van Sontags grote gaven was haar vermogen om haar politiek in dienst te stellen van haar estheticisme. Voor haar is het een kleinigheid om van het waarderen van pornografie - of althans 'de pornografische verbeelding' - over te gaan op het aan de kaak stellen van het Amerikaanse kapitalisme. Daarom spreekt ze tegen het eind van haar essay over ,,het traumatische falen van de kapitalistische maatschappij om authentieke uitlaatkleppen te verschaffen voor de niet aflatende menselijke neiging tot hooggestemde visionaire obsessies, om de behoefte te bevredigen aan geëxalteerde zelf-transcenderende modi van concentratie en ernst. De behoefte van menselijke wezens de 'persoon' te transcenderen zit niet minder diep dan de behoefte een persoon, een individu te zijn.''
'De pornografische verbeelding' staat, zoals de meeste van Sontags essays, vol stellige uitspraken, verleidelijke inzichten en zeldzame wartaal. Sontag weidt uit over de 'bijzondere toegang tot bepaalde waarheden' waar pornografie over zou beschikken. Wat ze niet zegt, is dat L'histoire d'O (bijvoorbeeld) niet een beeld te zien geeft van mystieke vervulling, maar een aanschouwelijke schildering is van menselijke verwording. Alleen iemand die 'vorm' over 'inhoud' laat triomferen kan zijn ogen hiervoor sluiten.
In zekere zin is 'De pornografische verbeelding' zelf een volmaakt voorbeeld van camp: want al heeft camp ten doel 'het serieuze te onttronen', het is ook, zoals Sontag opmerkt, 'dodelijk serieus' ten aanzien van het platte en triviale. Sontag is een meester op beide terreinen. Na zich eerst te hebben ondergedompeld in de retorica van de traditionele humanistische scholing, stelt ze vervolgens alles in het werk om die tegen zichzelf in stelling te brengen. Dit vormt natuurlijk een groot deel van de verklaring waarom haar werk zoveel succes heeft gehad onder would-be avantgarde-intellectuelen: door te spelen met de lege vormen van het traditionele morele en esthetische denken, is ze in staat zichzelf tegelijk voor te doen als ondermijnend én opbouwend, gedurfd 'voorbij goed en kwaad' en toch hartstochtelijk geëngageerd. In de 'lange mars door de instituties' is Sontag een heraut van de trivialisering geweest die gebruik maakte van de gereedschappen van het humanisme om de humanistische onderneming te saboteren.
'De pornografische verbeelding' geeft ook een sterk staaltje te zien van Sontags verleidelijke hooghartigheid. Na ons te hebben verteld dat pornografie een opwindende vorm van persoonlijke transcendentie kan zijn, merkt ze meteen op dat ,,niet iedereen in dezelfde positie verkeert als kenners of potentiële kenners. Misschien hebben de meeste mensen geen 'bredere scala van ervaring' nodig. Het kan zijn dat een verruimen van de ervaring en van het bewustzijn, zonder behoedzame en grondige psychische voorbereiding, voor de meeste mensen destructief is''. Niet voor u en mij, beste lezer: wij behoren tot de uitverkorenen. Wij verdienen 'die bredere scala van ervaring', maar wat de anderen, 'de meeste mensen' betreft, nou...
Als schrijver is Sontag vooral goed in one-liners. Op hun best zijn ze geestig, goed geformuleerd, uitdagend. Een paar zijn zelfs waar: 'Nietzsche was een theatraal denker, maar geen liefhebber van het theatrale.' Maar Sontags effectbejag (anders dan Nietzsche is zij wél een liefhebber van het theatrale) laat haar regelmatig ontsporen. Wat betekent bijvoorbeeld: 'De aids-epidemie dient als een ideale projectie voor de politieke paranoia van de Eerste Wereld'? Of: 'Risicoloze seksualiteit is een onvermijdelijke uitvinding van de cultuur van het kapitalisme'? Totaal niets, hoewel rond zulke uitspraken de onaantastbare aura hangt van linkse minachting voor het gezond verstand.
In 'One Culture and the New Sensibility' (1965) betoogt Sontag enthousiast dat 'wanneer kunst wordt begrepen als een vorm van controle over de gevoelens en een programmeren van gewaarwordingen, het gevoel (of de gewaarwording) teweeggebracht door een schilderij van Rauschenberg, gelijk kan zijn aan dat van een liedje van de Supremes.' Maar natuurlijk is het idee dat kunst een 'programmeren van gewaarwordingen' is (helaas een zin waar Sontag bijzonder gek op is) onjuist, incoherent, of beide, net als het idee dat gevoelens of gewaarwordingen zouden kunnen worden 'teweeggebracht' door welk lied of schilderij dan ook, zelfs als het van Rauschenberg is (geuren, ja; gewaarwordingen, nee). Zoals zo vaak verleidt haar hartstocht voor synesthesie en het uitwissen van grenzen haar tot nonsens.
Politiek
En dan zijn er Sontags politieke activiteiten: Cuba en Noord-Vietnam in 1968, China in 1973, Sarajevo in 1993 (waar ze heen ging om een productie van 'Wachten op Godot' te regisseren - stellig het toppunt van alle radical-chic-gebaren ooit). Weinigen zijn erin geslaagd de naïeve idealisering van buitenlandse tirannie zo jammerlijk te combineren met felle haat jegens hun eigen land. Ze heeft altijd gepraat als een politieke radicaal, maar geleefd als een estheet. Op het jaarlijkse schrijverscongres van de PEN-club in 1986 verklaarde Sontag dat het 'de taak van de schrijver is dissidente meningen te stimuleren'. Maar blijkbaar tellen voor haar alleen dissidente meningen die gericht zijn tegen Amerikaanse belangen. Neem het roemruchte essay dat ze schreef over 'de juiste manier' voor Amerikanen om 'de Cubaanse revolutie te omhelzen'. Sontag begint met enkele rituele veroordelingen van de Amerikaanse cultuur als 'anorganisch, dood, dwingend, autoritair'. Of: 'Amerika is een verkankerde maatschappij met een op hol geslagen productiviteit die het land overspoelt met steeds meer onnodige artikelen, diensten, prullaria, beelden en informatie.' Een van de weinige lichtpunten, zegt ze, is Eldridge Cleavers Soul on Ice, dat leert dat 'Amerika's psychische overleving de transformatie vereist door een politieke revolutie'. (Het boek leert ook dat verkrachting voor zwarten een edele 'opstandige daad' kan zijn, een 'tarten en vertrappen van de wetten van de blanken', maar Sontag stoort zich niet aan zulke details.)
Volgens haar 'ontleent de machtsstructuur zijn geloofwaardigheid, zijn legitimering, zijn energie aan de ontmenselijking van de individuen die aan de touwtjes trekken. De stafleden van IBM en General Motors, van het Pentagon en United Fruit zijn levende doden'. Daar de tegencultuur niet sterk genoeg is om IBM, het Pentagon etc. omver te werpen, moet ze kiezen voor ondermijning. 'Rock, marihuana, betere orgasmen, excentrieke kleren, dwepen met de natuur - dwepen met van alles en nog wat - maakt iemand ongeschikt voor de American way of life.' En hier doen de Cubanen hun intrede: zij bezitten die gewenste 'nieuwe sensibiliteit' van nature, omdat ze beschikken over een 'zuidelijke spontaneïteit die onze eigen al te blanke, door de dood beheerste cultuur ons ontzegt. De Cubanen weten alles van spontaneïteit, vrolijkheid, sensualiteit en uit hun dak gaan. Ze zijn geen rechtlijnige, verdorde schepselen van een krantencultuur'.
Inderdaad niet, nee: onderworpen, verdorde schepselen van een communistische tirannie zouden daar meer op lijken. Maar bevoogdende blanke praat over 'zuidelijke spontaneïteit' had de wind ongetwijfeld meer mee toen dit in 1965 werd geschreven. In de grote wedstrijd wie de meest stompzinnige politieke kletskoek te berde kon brengen, was Sontag altijd een geduchte tegenstander. Dit essay bevat tenminste twee juweeltjes: na tien jaar, schrijft ze, 'is de Cubaanse revolutie verbazingwekkend vrij van repressie en bureaucratisering'; beter misschien nog is deze terloopse opmerking tussen aanhalingstekens: 'Geen Cubaanse schrijver heeft ooit in de gevangenis gezeten of slaagt er niet in zijn werk gepubliceerd te krijgen.' Lezers die dit willen verifiëren, moeten Paul Hollanders klassieke studie Political Pilgrims: Western Intellectuals in Search of the Good Society er maar eens op naslaan, die Sontags beweringen citeert en vervolgens in twee of drie pagina's een opsomming geeft van de vele schrijvers en kunstenaars die gevangen zijn gezet, gemarteld of geëxecuteerd door Castro's spontane vrolijkheid.
Sontag verzon een soortgelijk sprookje toen ze in 1968 naar Vietnam ging op uitnodiging van de regering van Noord-Vietnam. Haar lange essay 'Trip to Hanoi' (1968) is een andere klassieker in de literatuur van de politieke leugenachtigheid. Kenners van het genre zullen speciaal genieten van Sontags opmerking dat het werkelijke probleem voor de Noord-Vietnamezen is dat ze 'niet goed genoeg kunnen haten'. Hun warme gevoelens voor de Amerikanen, legt ze uit, staan de oorlogsinspanning in de weg.
,,Ze zijn echt bezorgd over het welzijn van de honderden gevangen Amerikaanse piloten en geven hun grotere porties dan de Vietnamese bevolking, 'omdat ze groter zijn dan wij', zoals een Vietnamese legerofficier me vertelde, 'en ze zijn meer vlees gewend dan wij'. Het volk van Noord-Vietnam gelooft werkelijk in de goedheid van de mens en in de altijd bestaande mogelijkheid om de moreel gevallenen te rehabiliteren.''
Het zou interessant te zijn te weten wat senator John McCain, een krijgsgevangene die door de Noord-Vietnamezen zwaar werd gemarteld, over dit fabeltje te zeggen had.
Sontag geeft toe dat haar verslag enigszins de neiging had Noord-Vietnam te idealiseren; maar dat was alleen omdat ze 'uit eigen ervaring vond dat Noord-Vietnam een oord is dat het in vele opzichten verdient te worden geïdealiseerd'. Anders dan enig land in West-Europa, begrijpt u, en vooral anders dan de Verenigde Staten. ,,De Vietnamezen zijn 'gave' menselijke wezens, niet 'gespleten' zoals wij.'' In 1967, kort voor haar trip naar Hanoi, moest Sontag het volgende kwijt over de Verenigde Staten:
,,Een kleine natie van mooie mensen wordt grof en eigenmachtig afgeslacht door het rijkste, op groteske wijze overbewapende en machtigste land ter wereld. Amerika is een crimineel, kwaadaardig land geworden - barstensvol eigendunk, afgestompt door overvloed, verdwaasd door de monsterlijke waan dat het de opdracht heeft het lot van de wereld te bepalen.''
In 'What's Happening in America' (1966) deelt Sontag haar lezers mee dat Amerika het 'verdient' dat haar rijkdom wordt 'gestolen' door de Derde Wereld. In één bijzonder opmerkelijke passage schrijft ze: 'De waarheid is dat Mozart, Pascal, de symbolische logica, Shakespeare, het parlement, barokke kerken, Newton, de vrouwenemancipatie, Kant, Marx en de balletten van Balanchine niet opwegen tegen wat deze specifieke beschaving de wereld heeft aangedaan. Het blanke ras is de kanker van de menselijke geschiedenis.'
Wat kun je hierop zeggen? Sontag hekelt het Amerikaanse kapitalisme om zijn 'op hol geslagen productiviteit'. Maar ze heeft geen scrupules als het erom gaat de vruchten van die productiviteit te plukken: een beurs van de Rockefeller Foundation in 1964, een beurs van de Merrill Foundation in 1965, een Guggenheim Foundation Fellowship in 1966 etc., in 1990 culminerend in een genius award van de MacArthur Foundation.
Sontag bleef de radical chic tot het einde trouw. In de jaren zestig was het Vietnam en Cuba, in de jaren negentig Sarajevo. De enige constante was haar onverminderde animositeit jegens de Verenigde Staten: zijn cultuur, zijn politiek, zijn economie, zijn loutere bestaan. Na de terroristische aanvallen op New York en Washington in september 2001 gebruikte Sontag de kolommen van The New Yorker om uit te leggen dat de aanslagen van 11 september ,,geen 'lafhartige' aanval waren op de 'beschaving', de 'vrijheid', de 'menselijkheid' of 'de vrije wereld' [let op de aanhalingstekens], maar een aanval op de zelfbenoemde supermacht van de wereld, specifieke Amerikaanse bondgenootschappen en acties... Wat men ook kan zeggen van de daders van de aanslagen, het waren geen lafaards.'' Zegt ze dan dat het moorddadige fanatiekelingen waren? Helemaal niet. Daarvoor is Sontag te ambivalent over 'de zelfbenoemde supermacht van de wereld', en heeft ze te veel bewondering voor die moorddadige moslim-fanatici.
Sontag had een buitengewone carrière. Maar, met alle respect voor Salman Rushdie, haar roem was niet het bevredigende resultaat van intellectuele brille, maar het smakeloze bijproduct van een levenslange toewijding aan de leugenachtige sjablonen van de radical chic.
1. 'Dark Lady' is de aanduiding van de onbekend gebleven, vooraanstaande vrouw aan wie een deel van de sonnetten van Shakespeare was gericht. Hier gebruikt in de betekenis van 'meest vooraanstaande'.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.