*

 

Waar was Ben Bot bij beslissing over Irak?

J. Schaberg − 29/01/05, 00:00

Minister Kamp van defensie domineerde het debat over de beslissing om half maart de Nederlandse troepen terug te trekken uit Irak. Deelname aan een militaire interventie is echter primair een zaak van buitenlandse zaken. Bot had er moeten staan.

Morgen vinden in Irak verkiezingen plaats, een gebeurtenis even belangrijk als de beslissing destijds tot de aanval op het regime van Saddam Hoessein. Hoe het afloopt en hoe het verder gaat moet worden afgewacht. Er is zorg, maar ook hoop. Nederland heeft al beslist. Het laat het probleem aan anderen over en trekt 15 maart de troepen terug. De vraag blijft op grond van welke argumenten?

De minister van defensie, Kamp, domineerde de afgelopen maanden het debat en voortdurend zagen, hoorden en lazen we wat hij van mening was. Terwijl het hier primair om een probleem van buitenlands beleid gaat, bleef de minister van buitenlandse zaken Bot op de achtergrond. Waarom?

Het debat legt bloot hoe de verantwoordelijkheden in het beslissingsproces over de inzet van de krijgsmacht zijn scheefgegroeid. Het is een reflex uit het verleden toen de voornaamste rol van de krijgsmacht de bescherming van grondgebied was. Dat gebeurde in het politiek-militaire bondgenootschap, de Navo, waarin Nederland een overeengekomen gedefinieerde taak had. Als het over het gebruik van de krijgsmacht ging, ging het om vragen als: zijn we gereed voor die taak, hebben we de juiste middelen, kan het met minder of moet het met meer? Dat waren dan ook de problemen die tientallen jaren de aandacht vroegen in het openbare debat over de krijgsmacht. De minister van defensie was de prominente verantwoordelijke.

Maar toen de taak van de krijgsmacht verschoof van de verdediging van grondgebied naar de ondersteuning van het buitenlands beleid, in het bijzonder ter bevordering van de internationale rechtsorde en stabiliteit, veranderden die verantwoordelijkheden. Bij de overwegingen over het al of niet deelnemen aan een militaire interventie hoort het in de eerste plaats te gaan om de wenselijkheid daarvan uit oogpunt van het Nederlands buitenlands beleid. De minister van buitenlandse zaken moet dan de primaire woordvoerder zijn.

Ook bij de beslissing over een verlengd verblijf in Irak hoorde het in de allereerste plaats om zaken van breed buitenlands belang te gaan: wat is de invloed op de situatie zoals die zich heeft ontwikkeld, wat is de invloed op onze relatie met de bondgenoten, etcetera.

Het is onjuist dat de minister van defensie zich zo prominent mengde in de discussie over de verlenging, maar tegelijk veelal niet verder kwam dan steeds te herhalen dat we nu eenmaal acht maanden geleden hebben afgesproken nu terug te zullen trekken. Aspecten van buitenlands beleid, de relatie tot onze bondgenoten, de vertrouwensrelatie met Iraakse autoriteiten en de bevolking, ook met het oog op de toekomst, schoof hij terzijde.

Bij militaire interventies en ook hier moet altijd eerst door de minister van buitenlandse zaken de vraag worden beantwoord wat uit oogpunt van verstandig buitenlands beleid wenselijk zou zijn. Dat gebeurde niet. Als het kabinet vervolgens zo'n evaluatie onderschrijft en een (verlengde) operatie wenselijk acht, moet vervolgens de minister van defensie zeggen of hij zo'n taak al of niet kan uitvoeren en onder welke voorwaarden.

Bij het besluit over het verlengd verblijf in Irak liepen alle zaken in de discussie door elkaar. De argumenten van de regering wisselden in de tijd en bleven onduidelijk. Vragen die in het openbare debat bij publiek en kamerleden leefden zijn niet beantwoord.

Ook het kamerdebat op donderdagavond met de ministers van buitenlandse zaken en van defensie heeft hierin geen helderheid gebracht. Onduidelijk en halfslachtig, zo karakteriseerde één van de kamerleden het gepresenteerde beleid. Het argument bijvoorbeeld dat verlenging militair-technisch niet uitvoerbaar was, waarvoor de grote regeringspartijen zeiden te zwichten, kan geen standhouden; dat zou voor een krijgsmacht van 50000 militairen een schande zijn.

Dit alles is buitengewoon onbevredigend. Binnenlandse politieke overwegingen die achter de schermen zijn gehouden, zo werd in het debat wel duidelijk, hebben de uitkomst bepaald. Mevrouw Karimi van de GroenLinks-fractie drong in de Kamer terecht aan op een parlementair evaluatie-onderzoek naar het beslissingsproces.

Irak is het belangrijkste westerse veiligheidsprobleem en de gevolgen raken ook Nederland. Daarom hadden juist in dit geval de argumenten, zowel voor voor- als tegenstanders duidelijk moeten zijn. De minister van buitenlandse zaken heeft in dit proces zijn verantwoordelijkheid niet waargemaakt. Dat is ook schadelijk voor Nederland.

mailIcon print |