De 91-jarige Italiaanse dirigent Carlo Maria Giulini is dinsdag overleden. Een eigenzinnige perfectionist, die respect afdwong vanwege zijn integere muzikaliteit. Carlo Maria Giulini was een aristocratische geest. Zijn scherp gesneden gezicht en rechte gestalte wekten al die indruk; zijn interpretaties deden dat nog meer. Elegantie en precisie gingen bij hem hand in hand met diepzinnigheid en integriteit. Hij maakte eigenzinnige keuzes, die soms slecht voor zijn carrière uitpakten, maar dat interesseerde hem niet.
Zo verliet hij La Scala in Milaan in 1956 toen hij zich niet kon verenigen met het conservatieve beleid van de directie en weigerde hij in 1966 ' Don Giovanni' in het Holland Festival te dirigeren omdat hij grote moeite had met de gang van zaken.
Giulini, die in 1914 in Barletta werd geboren, begon zijn carrière als altviolist. In de tussentijd studeerde hij directie. Vlak na de Tweede Wereldoorlog, ten tijde waarvan hij ondergedoken zat omdat hij niet onder het fascisme in dienst wilde, debuteerde hij als dirigent. Hij werd chef van het Radio-orkest in Milaan en brak in 1953 definitief door als chef-dirigent van La Scala.
Daar vestigde Giulini zijn naam met opera-producties met de regisseurs Franco Zeffirelli (Rossini's ' La Cenerentola') en Luchino Visconti (Verdi's ' La Traviata' met Maria Callas). Ook buiten La Scala deed Giulini producties die legendarisch zouden worden zoals de Covent Gardenproductie van Verdi's ' Don Carlos' met in de hoofdrollen Gré Brouwenstijn en Boris Christoff, Mozarts ' Don Giovanni' en ' Le nozze di Figaro' en Verdi's ' Falstaff', opgenomen met het Concertgebouworkest en te vinden in een van de onlangs uitgebrachte boxen met historische opnames van dit orkest.
Daarnaast legde Giulini zich toe op symfonisch repertoire. In 1969 werd hij chef-dirigent van de Chicago Symphony Orchestra. Daarna volgden de Wiener Symphoniker en the Los Angeles Philharmonic Orchestra. In de jaren zestig kreeg hij steeds meer moeite met het fenomeen opera. Niet met de muziek of de regie, maar met de uitwassen van het productieproces -de korte repetitietijd en de kuren van de prima donna's -die onverenigbaar waren met zijn perfectionisme. Veertien jaar lang deed hij geen opera's, tot hij in 1981 kwam met ' Falstaff'.
In de tussentijd had Giulini zijn interesse verplaatst van Mozart en Verdi naar het zwaardere romantische repertoire van Beethoven tot Mahler. Hij hield zijn repertoire klein en deed alleen stukken waar hij een persoonlijke band mee had. Daarom maakte hij vaak nieuwe opnames van hetzelfde werk (drie keer de Zesde symfonie van Beethoven, drie keer de Eerste van Brahms). Pas aan het einde van zijn leven had hij naar eigen zeggen de negen symfonieën van Beethoven in de vingers.
Vanwege de volle ronde klank die hij aan ieder orkest ontlokte en zijn diepgang was hij zeer gewaardeerd.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.