*

 

Toen moesten alle meisjes huilen

door Dorien Pels − 17/06/05, 00:00

Het vertrek van asielzoekerskinderen die jaren in Nederland waren, vaak van de ene op andere dag, laat leerkrachten en klasgenootjes ontredderd achter. Veerle (12) en Nanda (12) vertellen hoe zij het gedwongen vertrek van hun vriendin Maryam hebben ervaren.

Maryam Zamani (13) was een van de meiden in groep acht, tot ze eind januari het land uit werd gezet. Samen met haar moeder en twee broertjes is ze terug naar de Afghaanse hoofdstad Kaboel. Haar vriendinnen Veerle van de Ven en Nanda Driessens, allebei 12 en leerlingen van basisschool De Muze in Nijmegen, zijn boos en verdrietig. Maar vooral begrijpen ze er helemaal niets van.

Veerle: „De regering zegt: het wordt te vol in Nederland. Nou, dan moeten ze maar niemand meer toelaten, als ze dat vinden. Maar Maryam was hier al. Waarom mocht ze dan niet blijven? Ze hoort erbij, ze hoort bij ons.“

Nanda: „Ze sprak helemaal perfect Nederlands. Nu moet ze daar de taal weer opnieuw leren.“

Veerle belt nog ongeveer een keer per maand met Maryam. Liever zouden de meisjes msn’en, maar Maryam heeft geen computer en het internetcafé is te ver weg. „Ze vertelt niet veel over daar. Ze wil vooral weten hoe het met ons gaat, wat er allemaal gebeurt op school en zo. Ik weet dat ze daar een hoofddoek op moet en dat ze een huis hebben met twee kamers en een keuken moeten delen. Dat haar moeder moeilijk werk kan vinden en dat Maryam wel naar school kan.“

Het gezin Zamani, dat zes jaar in Nederland was, kreeg afgelopen zomer te horen dat er voor hen geen mogelijkheid meer was om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Ze zouden op 9 oktober 2004 opgehaald worden door de vreemdelingenpolitie, maar die dag gebeurde er niets. Iedereen dacht dat de IND tot inkeer was gekomen en de familie toch mocht blijven.

Maar op 9 december werden ze toch met z’n vieren naar het uitzetcentrum in Ter Apel gebracht.

Veerle: „Ze mocht maar heel weinig meenemen en moest allemaal speelgoed weggooien.“ Haar gezicht staat strak als ze praat over hoe haar vriendin het land uit is gezet. Ook Maryams broertjes kenden ze best goed: Nasser zat bij het broertje van Nanda in de klas en Mostafa bij het zusje van Veerle.

Nanda: ,,Ze moesten ook nog eens drie dagen wachten voor hun spullen er waren. Zaten ze daar zonder extra eten en zonder kleren. Daar hadden ze een klein kamertje, het was er vies, klein en heel heet. Het is al erg dat ze weg moesten en dan doen ze ook nog van die stomme dingen.''

Veerle: „Er was overal politie. Wij moesten ons paspoort laten zien om binnen te komen. Daar moest ze een maand zo wonen.’’

De klasgenootjes hadden het niet zien aankomen. Hoewel de familie Zamani in het asielzoekerscentrum woonde, in een stapelbed in één kamer, deed het gezin z’n best om mee te draaien. De vriendinnen kwamen voor Maryams verjaardagspartijtje naar het azc.

Veerle: „Ze praatte er nooit over dat ze misschien terug moest. Maryam is verstandig voor haar leeftijd. Ze zorgt ook voor haar broertjes. Ze hield zich altijd groot.“ Tot de dag van het afscheid in de klas, vertelt Veerle. „Toen moest ze huilen. Toen moesten alle meisjes huilen.“ Vreselijk vond Veerle het dat het leven gewoon doorging. ,,De meester zette gewoon haar tafeltje de klas uit en gooide haar schriftjes weg.'’

De kinderen, ouders en leerkrachten hebben van alles gedaan voor Maryam en haar broertjes. Brieven geschreven naar Balkenende, de krant en de koningin, een protesttocht gehouden naar het stadhuis in Nijmegen.

Nanda: „Ik heb Verdonk gemaild en geschreven dat ik niet begrijp hoe zoiets in Nederland kan. Een van haar ambtenaren schreef terug dat hij het erg voor ons vond maar dat het nou eenmaal de regels zijn.’’

Veerle: „We waren te laat, veel te laat. We hadden eerder moeten beginnen met acties.’’

mailIcon print |