maar zijn hier wel in de winter. De musachtige vogeltjes hebben niets met kloosterbroeders te maken. De naamgever bedoelde frater waarschijnlijk als koosnaam. We zien ze hier weinig. De vogels die je nu ziet, zijn wintergasten, want de herfsttrek loopt tot in december. Ik zag ze zondag in IJmuiden, waar ze samen met sneeuwgorzen bijeengewaaide zaadjes zochten. Fraters komen zelden in het binnenland, maar wel in de IJsselmeerpolders. Troepjes verblijven in de strandduintjes en op groene stranden en ook wel in ruig begroeid terrein, het liefst op buitendijks land.
De frater lijkt sterk op de kneu, waar hij de noordelijke tegenhanger van is. De kneu is wel broedvogel en ook wintergast, maar komt zelden in grote aantallen voor. Een goed herkenningsmiddel voor fraters is dat mannetjes een lichtrode stuit hebben, maar die is niet altijd goed te zien. Het zijn geelbruine vogeltjes met een witte buik en een gele kegelsnavel. Ze vliegen hoppend en maken een knutterend kneuengeluid, doorspekt met een kenmerkend vragend roepje: 'twait' (de Engelse naam is twite).
De frater nestelt in Ierland, Shetland en Schotland in de kusthei tussen gras en kruiden, maar ook in steenhopen. Hij schijnt daar ook wel te broeden in bomen, struiken en klimop, laag bij de grond. Onze wintergasten komen voornamelijk uit Noorwegen. Engelse fraters, als ze al worden herkend, zijn uiterst zeldzaam. Die blijven meestal in hun broedgebied.
De eerste sprieten van de boerenkrokussen komen boven de grond.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.