Te veel politici lijden momenteel aan babbelzucht. Ze grossieren in kloeke uitspraken en ze reageren op elk voorbijkomend incident met een aplomb dat in geen verhouding staat tot hun kennis van zaken. Vooral als de burgers opgewonden raken -en dat gebeurt tegenwoordig om de haverklap- vibreren ze krachtig mee en blazen het vuurtje nog wat aan.
Echt ergerlijk wordt het indien bestuurders en politici zich gaan bewegen buiten hun competentie en zich bemoeien met zaken die hen niet aangaan. Het meest recente voorbeeld is de herrie rond de Amsterdamse tasjesroof-met-fataal-gevolg. Het kamerlid Geert Wilders noemde het 'schandelijk' dat de automobiliste door het OM werd vervolgd en minister Rita Verdonk wist te melden dat er geen sprake was geweest van 'moord'. De tasjesdief had alles aan zichzelf te wijten, was in het kort haar mening.
Vervolgens deed premier Balkenende een duit in het zakje: hij steunde Verdonk en berispte Wilders. Op dezelfde dag verklaarde minister Donner echter dat 'een politicus niet voor zijn beurt moet spreken', waarmee collega Verdonk fijntjes haar plaats werd gewezen wat overigens door Balkenende weer anders werd opgevat. De Haagse mallemolen.
Donner had natuurlijk gelijk. Er is een oude regel die zegt dat bestuurders en politici zich van commentaar onthouden indien een zaak onder de rechter is. Helaas zijn er nogal wat politici die deze regel niet kennen of niet erkennen. Dat bleek overduidelijk in oktober vorig jaar bij de rechtszaak tegen sergeant-majoor Erik O., die in Irak een dodelijk waarschuwingsschot had gelost. Kamerleden van meerdere partijen mengden zich herhaaldelijk in de zaak en ontzagen zich in tenminste één geval niet, hun ongenoegen in stevige taal kenbaar te maken.
Het werd een echte rel omdat de kritiek met principiële tegenkritiek werd beantwoord. Zo verweet de Nederlandse Vereniging voor Rechtspraak de betrokken parlementariërs eem al te gretige bemoeienis met de rechtsgang. In deze krant kwam oud-minister van justitie Winnie Sorgdrager met een overeenkomstige aanklacht: politici houden te weinig distantie.
De genoemde incidenten staan bepaald niet op zichzelf. Volgens Sorgdrager bestaat bij politici al langere tijd de neiging uit de losse pols meningen te ventileren over het optreden van politie en openbaar ministerie en momenteel ook over rechterlijke uitspraken. Vooral dat laatste neemt zij hoog op: 'Wanneer ook het gezag van de zittende magistratuur wordt aangetast, is de rechtsstaat echt in gevaar' (Trouw, 23 oktober 2004).
Toch is dit slechts de helft van het verhaal en zelfs de kleinste helft. Wat wij in de afgelopen jaren hebben gezien, gaat veel verder dan incidentele wrijvingen tussen vertegenwoordigers van de wetgevende en rechterlijke macht. Er is over de hele linie een offensief aan de gang tegen de zogeheten lankmoedigheid van de overheid inzake de openbare veiligheid. Links en rechts wordt geroepen om actievere inlichtingendiensten, betere opsporingsmethoden, grote politiële bevoegdheden, harde sancties en vooral om meer prevetief optreden.
Het is van belang te signaleren dat deze roep maatschappelijk gezien van onderop komt: het begint met verontruste en boze geluiden uit de burgerij, die door de media worden opgevangen en niet zelden uitvergroot, en het eindigt met al dan niet oprecht verbolgen kamerleden die zich om de interruptiemicrofoons verdringen. PvdA-senator Han Noten formuleerde het deze week in Trouw even hard als laconiek: 'Politici laten zich regeren door het volk'.
Nu is het niet onze bedoeling op dit moment nader in te gaan op nut en nadeel van de uitbreiding van het strafrechtelijke arsenaal, zoals deze week door de ministers Remkes en Donner aangekondigd. In plaats daarvan willen we aandacht vragen voor de historische en actuele context waarin deze opmars naar een 'veiligheidsstaat' zich voltrekt.
Die context ligt besloten in het begrip 'democratische rechtsstaat', zoals ons staatsbestel doorgaans wordt omschreven. Dit bestel is weliswaar superieur aan elk ander dat tot nog toe werd ontworpen, maar omdat het per definitie een dubbelstructuur vormt, kent het bijzondere interne spanningen.
Democratie betekent simpelweg volksmacht en resulteert in meerderheidsbesluiten waarin de volkswil geacht wordt tot uiting te komen. Die wil mag echter niet tot willekeur worden. De besluitvorming mag namelijk niet in strijd zijn met de principes van de rechtsstaat, waaronder de grondrechten van het individu en de machtenscheiding die aan de rechter een strikt onafhankelijke positie toekent.
In de laatste halve eeuw heeft de rechtsstaat steeds meer greep gekregen op de democratische besluitvorming en vooral op het handelen van de overheid zelf. Dat wil zeggen, dat de burger meer en beter gegarandeerde rechten ten opzichte van de overheid heeft gekregen.
De afgelopen tijd is er echter vanuit de politiek een tegenbeweging op gang gekomen: de overheid, gesteund door de meeste partijen, streeft naar een grotere handelingsvrijheid. Het is deze beweging die door de heersende ongerustheid over mogelijke terroristische aanslagen nieuwe impulsen heeft ontvangen. Daarmee is een dilemma geschapen.
Abstract gezegd moeten we kiezen tussen vrees en vrijheid. De concrete vraag is op welke wijze we een nieuw evenwicht kunnen vinden tussen de huidige democratisch gelegitimeerde besluitvaardigheidsdrang en de gevestigde rechtsstatelijkheid.
De uitkomst raakt ons allemaal omdat ze beslist over de toekomstige gestalte van ons politiek bestel.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.