De PvdA probeert het contact met de achterban te verbeteren. Vandaag kiest het partijcongres een nieuw beginselprogramma. Volgens politicoloog Krouwel moeten de drie grote partijen de afstand tot de kiezer veel kleiner maken. Anders springen populistische partijen in dat gat.
Achteraf bezien kondigden kleine gebeurtenissen in de laatste jaren van Paars al aan dat de verkiezingen van 2002 voor de PvdA akelig zouden aflopen.
Neem het PvdA-kamerlid dat geïrriteerd door de gang rende. Ze moest een nota schrijven voor haar 'baas'. Op de vraag wie dat was zei ze 'Ad, natuurlijk'. Niet aan de kiezers of de PvdA-leden maar aan Ad Melkert was ze verantwoording schuldig. Wie daar anders over dacht was 'wereldvreemd', zei ze.
Het voorvalletje typeert de toestand van de PvdA vóór de kiezers haar bij de verkiezingen van mei 2002 afstraften. Het toont hoe de fractie in zichzelf gekeerd was geraakt. En het laat het zien dat de leden in de PvdA niets te zeggen hadden en Kok en Melkert alles. Deze machtsconcentratie bij de leiding is niet iets wat zich alleen bij de PvdA heeft voltrokken. Alle grote partijen hebben een ontwikkeling doorgemaakt waarin de zeggenschap over de koers en de selectie van politici gaandeweg verschoof van de leden naar de partijtop.
Die tendens lijkt te keren. PvdA, CDA en VVD zoeken alle op hun eigen wijze de leden weer op. Het is niet toevallig dat die ommekeer zich voltrekt nadat kiezers hebben laten zien dat hun trouw brozer is dan ooit tevoren. De klappen die zij het CDA in 1994 uitdeelden en de PvdA en de VVD in 2002, waren voor die partijen lessen in bescheidenheid en brachten bij alledrie een bezinning op het eigen functioneren op gang. De vaststelling van een nieuw PvdA-beginselprogramma, vandaag op het partijcongres, is onderdeel hiervan.
Ondanks deze kentering is er volgens politicoloog André Krouwel nog geen sprake van een daadwerkelijke herwaardering van de leden als spil van de partij. Hij vreest dat de politieke partijen daardoor onvoldoende bewapend zijn tegen de bedreiging die het populisme vormt, destijds in de gedaante van Pim Fortuyn, nu in de persoon van Geert Wilders en straks wellicht in die van Peter R. de Vries of Roel Pieper.
Volgens Krouwel, docent aan de Vrije Universiteit, kan het onvermogen van de partijen zich te revitaliseren gevaarlijk zijn voor de democratie. Hij wijst op onderzoek waaruit blijkt dat van alle instituties in ons bestel, de politieke partijen het minste vertrouwen van de burgers genieten.
Krouwel: ,,Er dreigt een crisis waarin burgers de ontwortelde politieke partijen ontwijken en cynisch oordelen over het traditionele politieke leiderschap. Dat is een vruchtbare bodem voor populistische avonturiers met hun pretentie de 'wil van het volk' te verwoorden. Hun rechtstreekse appèl op het 'volk' kan tot gevaarlijke situaties leiden. Een democratie kan nooit louter gebaseerd zijn op goed vertrouwen in de integriteit van een leider. Corruptie en fraude liggen op de loer in een systeem dat ongebreidelde macht in handen legt van één persoon die dan afspraken met belangengroepen kan maken.''
,,Dat zien we in de VS, met president Bush die allerlei contracten aan het bedrijf Halliburton geeft omdat zijn vriendjes daarvandaan komen. We zagen het hier met Fortuyn, met zijn vijf, zes grote geldschieters in de vastgoedsector. Het eerste wat hij op tv riep was: 'De grondpolitiek gaat danig veranderen in Nederland'. Die vastgoedhandelaren wilden beleid kopen.''
,,Dat gevaar van corruptie en nepotisme kan in een democratie alleen worden gekeerd door goed georganiseerde, maatschappelijk ingebedde partijen waarin macht en tegenmacht elkaar in evenwicht houden. De diepst gewortelde democratieën treffen we aan in landen met goed functionerende partijen. Het is cruciaal dat een politiek leider wordt geselecteerd en gecontroleerd in een organisatie die zijn macht kan inperken, en hem dwingt zijn ideeën te toetsen aan die van de anderen met wie hij om de koppositie concurreert.''
Krouwel behoort de laatste jaren met Gerrit Voerman, directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse politieke partijen (DNPP), tot de spraakmakende publicisten over de politiek. In het laatste DNPP-jaarboek schetst hij de opkomst van populistische partijen als een logische reactie op het 'kartel' van de gevestigde partijen. PvdA, VVD en CDA samengeklonterd in het midden. Doelbewust hebben zij hun ideologische profiel afgezwakt, om buiten hun oorspronkelijke sociale basis te kunnen hengelen naar de gunst van de groeiende middenklasse. Hun programma's zijn in grote mate inwisselbaar geworden en ze kunnen allemaal met elkaar regeren, in wisselende combinaties. De partij die de pech heeft in de oppositie te belanden, kan door de vervlakte tegenstellingen nog geen deuk in een pakje boter slaan.
Bij gebrek aan uitgesproken inhoudelijke verschillen, betoogt Krouwel, strijden de partijen met elkaar om wie de beste bestuurders kan leveren. Door het verminderde belang van een ideologie en van een belangenvertegenwoordiging van een sociale klasse, steken hun wortels minder diep in de samenleving. Ze raken met de staat vervlochten en komen op grotere afstand te staan van burgers. Er ontstaat zo een 'kartel' van elkaar grotendeels overlappende partijen, verbonden met staatsinstellingen en geleid door professionele politici die zich in de eerste plaats profileren als gedegen bestuurders en prettige persoonlijkheden.
Krouwel: ,,Zo'n gesloten kartel van een politieke elite die als een functie vrijkomt, de eigen agenda openslaat en een vriendje belt. Dat wordt armoede. Maatschappelijke binding van partijen is van een niet te onderschatten belang, als bron van nieuwe mensen en ideeën. En die binding wordt minder naarmate het kartel gesloten raakt. In de partijen heeft een kleine club mensen alle touwtjes in handen. Melkert en Kok beslisten alles in de PvdA.''
,,Die armoede blijkt ook uit het symbolisch worden, of zelfs ontkennen van politieke tegenstellingen. Kok, hoewel PvdA'er volgens mij de grootste christen-democraat van Nederland, maskeerde elk conflict met technocratisch jargon, en ook Lubbers had daar al een handje van. Het 'managen' van de staat heet dat. Foute boel. Managen... wat heb ik een hekel aan de woord! Een nonsensterm. De staat is geen neutraal ding, hij bestaat uit instanties die besluiten over jouw en mijn leven nemen. Dat is niet iets wat je moet managen. Democratisch gekozen en gecontroleerde politici moeten daarin richting geven.''
,,Herinnert u zich die campagne nog: Kies Kok. Wat had de PvdA verder te bieden? Bij het CDA heette het eerder: Laat Lubbers zijn karwei afmaken. Dat ging nog over het karwei. Hij moest nog iets afmaken. Maar bij Kok werd er niet meer bij gezegd waarom we hem moesten kiezen. Wat ie af moest maken.''
Het kost geen moeite bij deze karteldemocratie de herinnering aan Paars en ook de kabinetten-Lubbers op te roepen. In de karteldemocratie doet zich volgens Krouwel een opvallende rolwisseling van de politieke partijen voor. In plaats van de burgers in de staat, vertegenwoordigen ze nu de staat tegenover de burgers. In zijn strijd tegen Paars gebruikte Fortuyn dat beeld als een doeltreffend wapen. Politieke partijen mogen ooit zijn opgericht om te bemiddelen tussen bestuurders en burgers met hun tegenstrijdige belangen, luidde zijn boodschap, nu behoren ze tot de gevestigde machten die het contact met het volk zijn kwijtgeraakt.
Krouwel: ,,Populisme is op zich een mooie vorm van democratiekritiek, op het verschijnsel dat politieke partijen soevereiniteit aan het volk hebben ontnomen. Zij staan tussen het volk en de bestuurders die de wil van het volk moeten omzetten in beleid. En we hebben een probleem als het zo erg met ze gesteld is dat de wil van het volk niet doordringt. De oplossing van de populisten is: 'Schaf ze af, we hebben een sterke man voor u, volg hem'. Dat lijkt me nogal eng. Daarmee zouden we alle filters en alle controle op de machtsuitoefening opgeven ter wille van één leider. Ik zie toch graag wat institutionele garanties dat politici zich netjes gedragen. Om die reden zijn politieke partijen de onmisbare institutie in de democratie. Dus leer van het populisme!''
De partijen kunnen zich volgens Krouwel alleen wapenen tegen de verleiding die het populisme de kiezers biedt als zij uit het kartel breken en hun maatschappelijke verankering herstellen. Hij meent dat ze daartoe de leden weer écht de verantwoordelijkheden moeten geven die hun toekomt. Tot dusver bespeurt hij in de partijen weinig in deze richting. Alle formele structuren waarin leden van onderaf controle uitoefenden op de koers zijn de afgelopen jaren afgebroken. In het CDA, de PvdA, de VVD wordt meer dan ooit gediscussieerd op 'kennisfestivals', 'fonteinavonden' en wat dies meer zij, en toch hebben de leden minder te zeggen. ,,Fonteinavonden, ha!'' roept Krouwel uit. ,,Spuit u maar, leden, als het maar nergens over gaat!''
Zijn remedie is een algemene wet op de politieke partijen. Omwille van de cruciale functie die zij vervullen in een democratie, worden partijen daarin verplicht te voldoen aan een aantal eisen omtrent hun financiering en het democratische gehalte van hun organisatie. De wet moet ook de subsidiestroom van het rijk naar de partijen verleggen naar activiteiten die op ledenwerving en -behoud zijn gericht.
Gerrit Voerman, directeur van het Documentatiecentrum Nederlandse politieke partijen, is het eens met Krouwels analyse dat partijen zich door hun verwevenheid met de staat kwetsbaar hebben gemaakt voor populistische kritiek. Zij moeten hun eigen functioneren onder de loep nemen om de populistische uitdaging te kunnen weerstaan. Maar zo somber als Krouwel over hun hardleersheid is hij niet. Sinds de afstraffing door de kiezers hebben CDA, PvdA, VVD een intern democratiseringsproces op gang gebracht. De stemrechten van de leden zijn uitgebreid. CDA en VVD hebben hun congres voor alle leden opengesteld, dus niet alleen voor afgevaardigden van de afdelingen. De PvdA organiseert ledenraadplegingen over politieke keuzes en laat, evenals de VVD, de leden de lijsttrekker kiezen. Voerman: ,,De grote partijen hebben alle drie de mogelijkheden voor zeggenschap van de leden verruimd. Het is nu aan de leden van de geboden mogelijkheden gebruik te maken.''
Voerman meent dat aan het verleden van de partijen lessen zijn te ontlenen voor het heden. Hij wijst erop dat de gestage daling van de ledenaantallen sinds 1960, een indicator van de afnemende betrokkenheid, in de jaren zeventig enige tijd onderbroken is geweest. ,,Dat was gedurende het rode tijdperk, Den Uyl, polarisatie. Het politieke leven vibreerde. Mensen dachten echt dat de politiek een verandering van de samenleving kon bewerkstelligen. Dat heeft een enorme stimulerende werking gehad op de politieke participatie en het ledental.'' Het spiegelbeeld daarvan was te zien in de jaren negentig. ,,Toen zaten oude vijanden uit de jaren zeventig in hetzelfde kabinet en kon eigenlijk ook de grootste oppositiepartij zich wel in het beleid vinden, op wat immateriële punten na. Wat viel er nog te kiezen, waar draaide de politiek nog om? Het was politiek van beheer geworden. De managementstaat. Tja, en de ledentallen kelderden.''
De les die Voerman hieruit trekt, is dat behalve meer zeggenschap van de leden ook een reïdeologisering van de partijen het afnemend tij kan keren. Hij ziet bemoedigende ontwikkelingen in de partijen. De PvdA stelt een nieuw beginselprogramma vast, de VVD publiceert binnen een maand een herzien Liberaal Manifest, het vijfen twintigjarige CDA benut zijn jubileumjaar voor een actualisering van de ideologie van de verantwoordelijke samenleving. ,,En we hebben een politiek uitgesproken kabinet, met een programma dat door oppositie en vakbeweging wordt bestreden. De opstelling van de coalitiefracties is minder voorspelbaar. Het CDA blokkeert zomaar het huurbeleid, de VVD-fractie wil iets heel anders met de troepen in Irak dan de geestverwante minister van defensie.''
Toch laat hij zich niet tot een optimistische conclusie verleiden. ,,We hebben met Fortuyn gezien hoe gemakkelijk het voor iemand als Wilders, Peter R. de Vries of Roel Pieper, politieke ondernemers voor wie de media vallen, kan zijn met een flink aantal volgelingen het parlement binnen te komen. Als dan weer zoiets gebeurt als met de LPF, een clubje ongeregeld dat vechtend over straat gaat, de besluitvorming frustreert en het kabinet binnen drie maanden opblaast, zal dat een nieuwe blamage voor de democratie zijn. Dat kan tot gevolg hebben dat meer mensen zich van het bestel afwenden. Juist zo'n club die inspeelt op onvrede over het bestel heeft een morele verantwoordelijkheid te laten zien dat het beter kan. De apathie zal alleen maar toenemen als zij faalt. Dus optimistisch, nee, dat ben ik niet. Het kan dat partijen zoals we ze nu kennen op den duur verdwijnen. Maar laat ze dan alsjeblieft wel strijdend ten onder gaan.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.