Schrijver Jan Siebelink wilde nog één keer het verhaal vertellen van zijn jeugd. Dat werd getekend door het zwarte calvinisme waartoe zijn vader zich bekeerde. ,,Het zou mij niet verbazen als ik straks voor de Rechter moet verschijnen. Vind je dat raar?''
Eerst een ritje door het landschap van zijn nieuwe roman -het was zijn eigen idee. De auteur komt aanrijden in een zwarte convertible die vraagt om fraaier weer dan deze kletterende regen. ,,Stap in'', zegt hij. Dáár is de rivier die zijn vader als jonge jongen overstak, hier de kwekerij waar hij het visioen kreeg, en kijk, het pad waarlangs de mannen in het zwart binnendrongen.
Het zal kenners van het werk van Jan Siebelink (1938) vertrouwd in de oren klinken. Nog eenmaal keert hij in zijn nieuwe roman 'Knielen op een bed violen' terug naar zijn jeugd als kwekerszoon in Velp. De schrijver kan het niet helpen, zegt hij. ,,Het speelt bij mij allemaal nog méé. Zo'n beeld van die colporteurs met een koffer vol boeken op de kwekerij, ik zal het tot mijn dood bij me dragen. Mijn twee broers zijn druk met baan en vriendin. En ik zit maar steeds dat verhaal te vertellen. Dat is denk ik mijn taak in de wereld. Die móet weten dat zo'n man heeft bestaan.''
De zachtmoedige vader in 'Knielen op een bed violen' -eerst middenmoot hervormd- ontvangt een goddelijk visioen, waarna hij zich bekeert tot het zware, zwarte calvinisme van de paauweanen. Zeer tegen de zin van de moeder dringen de mannenbroeders steeds dieper hun leven binnen. De vader bezoekt huisdiensten in schuren, zijn geld gaat op aan vrome lectuur, de glasverzekering zegt hij op, juist voor een storm de kwekerij vernielt. En al wat in het nu gebeurt verzinkt voor hem in het niet hij het najagen van het eeuwig heil.
De roman is geschreven in een sobere, filmische stijl, zonder krullen en precieusheid. ,,Dat heb ik geleerd'', zegt de schrijver wiens oudere werk behoorlijk barok was. ,,Ik wilde dat elk woord doel treft. Het gaat niet eens bewust, het onderwerp vraagt erom. Je kunt een stijl niet bedenken. Je schrijft zoals je nu bent. Schrijven is een vorm van genade. Het moet intuïtief gaan. Het is niet helemaal mensenwerk.''
Siebelink wil met deze roman 'het ongrijpbare weergeven'. ,,Ik wilde erachter komen waarom de vader heeft gedaan wat hij deed. Waarom zette hij alles in de waagschaal? Het huwelijk was zo harmonieus. Waarom moest die man zo'n visioen krijgen? Hij verwaarloosde de kwekerij. Ging zich wreed gedragen. Alles had voor hem te maken met de eeuwigheid. Dát begrijpen was het avontuur.''
Of het is gelukt? ,,Nee!'', zegt hij opgewekt. ,,Gelukkig niet. Al mijn zinnen zijn omcirkelende bewegingen om daar bij te komen. Ik heb het gevoel dat ik het dicht nader, maar het wijkt steeds weer terug. Uiteindelijk heb ik níets van het mysterie opgelost. De vader is dood en wij blijven achter met het raadsel.'' Ernstig: ,,We mógen het natuurlijk ook niet weten. Dan zouden we weten hoe God werkt.''
Mooi motief in de roman: het kwekerszoontje leert met aandoenlijke ijver psalm 119 uit het hoofd - met 88 verzen de allerlangste psalm. Hij wil zijn vader bewijzen dat ook hij heilbegerig is. Siebelink: ,,Mijn hele leven heb ik verlangd naar de extase die mijn vader had meegemaakt. Bij het schrijven aan dit boek dacht ik soms dat het zover was. Het ging zó vanzelf. Nee, jammer genoeg kwam er geen vuurkolom. Dat had ik best gewild - hoewel het me buitengewoon angstig lijkt. Wie zal er voor Zijn aangezicht kunnen bestaan?''
Siebelink schreef 'Knielen op een bed violen' in zeven, acht maanden tijd. Het greep hem aan, vertelt hij. De benauwenis waarin de vader op zijn sterfbed verkeert - zal hij in de buitenste duisternis belanden? - sloeg schrijvenderwijs op hém over. ,,Het was de compassie met die man. Ik kon werkelijk niet meer ademhalen, de trap niet op zonder te hijgen. Ik heb me in het ziekenhuis laten nakijken, blijk ik astmatische bronchitis te hebben. Nooit geweten. Tot het eind van mijn leven moet ik tweemaal daags inhaleren.''
De benauwenis had ook te maken, vermoedt hij, met de twijfel of hij er wel een roman over mócht schrijven. ,,Als mijn vader dit vanuit de hemel ziet, zal hij het niet goedkeuren, denk ik. Terwijl ík de voorbeeldige zoon was. Ik zal misschien geld aan dit boek verdienen, er lof voor verwerven - terwijl wij daarvoor niet op de wereld zijn. Wij zijn hier om kennis te verwerven omtrent de ellendige staat van onze ziel. ''
De auteur zegt het zonder een spoortje ironie. Schrijvers als Biesheuvel, 't Hart en Wolkers rekenden af met hun calvinistische jeugd. ,,Ik probeer juist steeds dieper in die wereld door te dringen. Ik wil het écht weten. Intellectuelen als Rudy Kousbroek vinden dat je je moet schamen voor het geloof. Het is en vogue om het achterhaald te noemen. Ik vind dat armoede. Ik zou bang zijn om gestraft te worden voor zulke uitspraken. Ik weet niet zeker of er een God is. Het kan heel goed zijn dat Hij er is. Het zou mij niet verbazen als ik straks voor de Rechter moet verschijnen. Vind je dat raar?''
Kerks is Siebelink allang niet meer. ,,Op een dag, het was mooi, zonnig weer, haastte ik mij de kerk uit. Ik ben er nooit meer teruggeweest. Als ik een formulier moet invullen, geeft dat nog steeds een raar gevoel. Moet je een kruisje zetten achter 'godsdienst', vreselijk! Mensen die een kruisje zetten geloven nergens in! Terwijl de engelen wenen om elke verloren ziel. Nu heb ik spijt dat ik me heb laten uitschrijven. Ik vóél me wel hervormd.''
Hij verbaast zich 'hogelijk', zegt hij, over de hedendaagse secularisatie. ,,Terwijl de dood en alles...'' Geagiteerd: ,,Ik begrijp niet hoe mensen dat kunnen negeren. Ik zie het bij mijn eigen kinderen. Met kerst en pasen laat ik ze uit de Bijbel lezen, dat vinden ze een mooi ritueel. Maar voor hen is religie geen discussiepunt, ook voor hun vrienden niet. Het gaat om het leven nú.'' Van moderne theologen valt in dit verband geen hoop te verwachten, meent hij. Die hebben alles weggeredeneerd. ,,Schrijvers kunnen de vragen nog stellen. Ik wil een wereld schilderen die niet zo plat is als een schol. Wil laten zien dat er méér is.''
Zelf zit hij naar eigen zeggen 'continu' aan de dood te denken. ,,Als tienjarige dacht ik: ik ga ruig leven. En als ik straks oud ben, zal ik mij bekeren. Dat heb ik nóg, in die zin ben ik weinig wijs geworden. Bekering op het sterfbed - het kán. Ik hou van sociale omgang, van lekker eten en drinken. Tegelijk ga ik bezwaard door het leven. Somber gestemd. Straks ben ik er niet meer! Ik heb ook het geloof, het bijgeloof: zolang ik diep in een boek zit, laat de Here mij. Nu het af is, verkeer ik in een gevaarlijk vacuüm. Ik zou moeten denken over een volgend boek, maar dat lukt me niet.''
Na deze roman is Siebelink 'absoluut' kláár met het onderwerp, bezweert hij. ,,Deze ader is afgesloten. Ik heb de vader opnieuw tot leven gewekt. Een groots en gedoemd leven heb ik hem willen geven. Ik heb gewild dat hij als een heilige uit het boek komt, als een Christus die moest lijden. Nu ligt het op straat. Ik ben kwetsbaar, maar hij is onkwetsbaar. Niemand kan hem meer vernederen. Alleen heeft híj daar niets meer aan.''
Onlangs zat Siebelink met dichter-psychiater Rutger Kopland ('Ik waardeer hem zeer') in een literair programma. ,,Ik vertelde wat mijn vader was overkomen. Hij reageerde met: dat is een pathologisch geval. Ik was er helemaal beduusd van. Het bloed steeg me naar mijn hoofd. Hij zag mijn vader als een casus! Het unieke karakter van zijn geval werd iets dat duizenden hebben meegemaakt! Ik was heel erg ontdaan en gekwetst.'' Zacht: ,,Als dichter had Kopland moeten begrijpen wat daar is gebeurd.''
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.