Hitler kocht de Duitsers om met belastingverlaging, royale soldij, vakantiegeld en gratis onderwijs en verwierf zo brede steun, stelt Götz Aly. In Duitsland was zijn boek in één week uitverkocht.
Terwijl de Russische president Poetin voorlopig van een onbevangen historisch debat over stalinisme en Tweede Wereldoorlog niet wil weten, leveren Duitse historici al sinds jaar en dag de ene na de andere doorwrochte studie af over het Derde Rijk.
Daarbij schuwen zij de controverse niet, zoals nu weer blijkt uit 'Hitlers Volksstaat' van de hand van Götz Aly, die er bekend om staat graag tegen heilige historische huisjes aan te trappen. In zijn boek, dat in Duitsland veel stof deed opwaaien en al na een week toe was aan een tweede druk, probeert hij aannemelijk te maken dat Hitler kon rekenen op de loyaliteit van het overgrote deel van de bevolking, omdat die profiteerde van zijn moorddadige rooftochten door Europa.
Uitvoerig doet Aly uit de doeken hoe het nazi-bewind door een reeks van sociale en fiscale maatregelen het volk zou hebben 'omgekocht'. Arbeiders, boeren, lagere ambtenaren en kantoorklerken waren vrijgesteld van directe oorlogsbelasting, terwijl soldatengezinnen -anders dan in de Eerste Wereldoorlog- ruimhartig ondersteund werden met een toelage die het dubbele was van wat Britse en Amerikaanse gezinnen ontvingen.
Kroostrijke families werden ondersteund door de in 1934 ingevoerde kinderbijslag, gepensioneerden zagen hun uitkering fors stijgen en waren later in de oorlog ook verzekerd tegen ziektekosten. Arbeidersgezinnen konden met vakantie, een luxe die voorheen voorbehouden was aan de burgerij.
Ook bood het regime jongens uit kansarme milieus tal van mogelijkheden om hogerop te komen, onder meer door de stichting van gratis toegankelijke instellingen voor hoger onderwijs. Sprekend over Hitlers ideale 'volksgemeenschap', die meer was dan louter propaganda, wijst Aly in navolging van anderen op het hoge socialistische gehalte ervan.
Gefinancierd werd Hitlers egalitaire volksstaat uit hoge belastingen die vermogende burgers, huiseigenaren en ondernemers werd opgelegd. Aangezien de minder draagkrachtige bevolkingsgroepen om politieke redenen buiten schot dienden te blijven, werden de toenemende kosten van bewapening en oorlogvoering voor een steeds groter deel betaald uit middelen verkregen uit geconfisqueerde joodse eigendommen, door onderworpen landen hoge oorlogsschatting op te leggen en dwangarbeid te gebruiken.
Om de bezette landen ook op langere termijn uit te kunnen buiten, hielpen de nazi's de buitenlandse regeringen bij het onteigenen van hun joodse burgers. Doel was met het geld dat uit de arisering van joods eigendom vrijkwam de zogenaamde bezettingsbegrotingen te voeden, waaruit onder meer de materiële verzorging van het leger, inclusief soldij, werd gefinancierd.
Uit diezelfde begrotingen werden ook de in Duitsland tewerkgestelde dwangarbeiders betaald, zodat deze kostenpost niet ten laste van het Duitse budget kwam. Ook leveranties van grondstoffen en levensmiddelen uit bezette landen aan het rijk werden via de bezettingsbegrotingen vereffend. Omdat met al deze transacties geld gemoeid was afkomstig uit de arisering, profiteerde iedere Duitser volgens Aly indirect van de plundering van Europa en de deportaties van de joden.
Omdat Hitler zijn eigen volk zoveel mogelijk wilde ontzien, kreeg de oorlog steeds meer het karakter van een rooftocht. En aangezien de oorlog steeds meer geld vrat en bij de Duitse bevolking nieuwe behoeften aan producten opwekte, verzonnen beleidsmakers steeds radicalere vormen van plundering en uitbuiting, culminerend in de vernie tigings politiek in Oost-Europa.
In Letland beraadslaagden officieren over hun 'opdracht, de Russische krijgsgevangenen te laten verhongeren en bevriezen'. Tussen augustus 1941 en januari 1942 stierven ongeveer twee miljoen Russische krijgsgevangenen in kampen van de Wehrmacht door uitputting en ondervoeding.
Ook het systematisch uitmoorden van de Europese joden was in Alys zienswijze primair materieel gemotiveerd: door de al beroofde joden te liquideren, hoefden er minder monden gevoed te worden en bleven er meer levensmiddelen en andere goederen voor de Duitse bevolking over.
Wat Aly over het Derde Rijk als verzorgingsstaat te berde brengt is waar, maar niet nieuw. Anderen hebben al vaker gewezen op deze kant van het nazi-bewind, dat door middel van allerlei sociale voorzieningen de steun van de bevolking wist te verwerven. Maar wie over de oorsprong van de Duitse welvaartsstaat schrijft, mag niet zwijgen over Bismarck, die immers het ouderdomspensioen had ingevoerd.
Met zijn analyse van de oorlogsfinanciën en van de wijze waarop Wehrmacht en financiële deskundigen samenwerkten bij het zoeken naar steeds doeltreffender middelen om landen en volken uit te buiten, betreedt Aly wel onontgonnen terrein. Maar of zijn sommen allemaal kloppen is de vraag. De Britse deskundige Adam Tooze heeft al bezwaar aangetekend tegen Aly's stelling dat zeventig procent van alle oorlogskosten op het bezette Europa werd afgewenteld.
Hoogst onwaarschijnlijk is intussen een van zijn andere stellingen: dat het uitmoorden van de joden in Oost-Europa slechts een uiting van pure roofzucht was en niet in de eerste plaats ingegeven door extreem antisemitisme. Anti-joodse ressentimenten heersten in heel Europa, maar vooral in Duitsland (en Oostenrijk). Daar had het trauma van de verloren Eerste Wereldoorlog, het voor velen vernederende Verdrag van Versailles en de economische crisis voedsel gegeven aan een steeds agressievere jodenhaat.
Niettemin heeft Aly met zijn pittig geschreven verhandeling een scherp licht geworpen op een belangrijk element van het nazi-regime, ook al schiet zijn materialistische interpretatie tekort om het Derde Rijk geheel te verklaren.
© - Alle rechten voorbehouden.
Lees de gebruiksvoorwaarden.