*

 

Als een bisschop in de jaren vijftig poogt Laurens Jan de tijdgeest te keren

Hans Goslinga − 21/05/05, 00:00

'Met de goedkeuring van deze verdragen betreden wij een weg, waarop teruggaan niet mogelijk is.' Minister van buitenlandse zaken Joseph Luns, 'die man met die grote neus', zoals zijn Indonesische tegenspeler Nasoetion hem vele jaren later nog aanduidde, sprak deze woorden in de Tweede Kamer in het najaar van 1957. Dat was tijdens het vierdaagse debat over de toetreding van Nederland tot de Europese economische gemeenschap, het Europa van de Zes. De lengte van het debat geeft aan dat het parlement zich van het historische gewicht van deze stap zeer bewust was. Dat gold niet voor de Nederlandse samenleving.

De liberale NRC verwonderde zich over de geringe ophef die het debat teweegbracht en noteerde: 'Het voltrok zich allemaal even gewoon alsof het een niet al te ingrijpend wetsontwerp betrof. Geen volle tribunes, geen fotografen, geen radio, geen televisie. Alleen een uitzonderlijk groot aantal sprekers en de lange duur van de debatten wezen erop dat er iets bijzonders aan de hand was.' Afgezet tegen dit beeld is er alle reden ons gelukkig te prijzen met het referendum over de Europese Grondwet. Wat je er ook op tegen kunt hebben, het zorgt voor politieke ophef en maakt aan de toog en de bittertafel voor het eerst discussie over Europa los. Misschien beleven we met de kans voor burgers zich voor het eerst over een zaak uit te spreken zelfs het begin van een doorbraak naar democratischer verhoudingen in Nederland, die een herhaling van de revolte van 2002 kan voorkomen.

Dit uitdagende perspectief maakt, zoals we eerder hebben gezien dit jaar, vooral politici onrustig die met het progressieve tij in de jaren zestig opkwamen. Laurens Jan Brinkhorst zei deze week in Forum, het blad van de ondernemers: 'Op zichzelf is er best wat te zeggen voor referenda, maar niet over dit onderwerp. We houden nu een referendum over een zaak waar de bevolking niets over weet.' Het citaat is het waard als politiek grafschrift te dienen voor deze politicus, nota bene de eerste minister van D66, dat al veertig jaar voor directe democratie ijvert. Na Ed van Thijn, die de burgers het recht heeft onthouden hun eigen burgemeester te kiezen, is Brinkhorst de tweede progressieve politicus die zichzelf op het moment suprême als een onvervalste regent ontmaskert.

Dat is des te opvallender nu met de opstand van 2002 de urgentie van veranderingen in ons bestel zo heftig is aangetoond. Vijftig jaar geleden was het nog aan de gezagsgetrouwheid van de burgers toe te schrijven dat ze 'de heren in Den Haag' lieten begaan. Maar sinds de burgers hun volgzaamheid hebben afgelegd, is de betrokkenheid bij de Europese samenwerking er niet groter op geworden. Brinkhorst zelf constateerde deze week dat 'het Nederlandse volk de afgelopen dertig jaar dom is gehouden over Europa'. Om die reden vindt hij dat het over de Europese Grondwet zijn mond zou moeten houden. Maar het was meer in de geest van D66 geweest als hij de vraag had opgeworpen wie of wat de burgers onwetend heeft gehouden. Misschien was hij dan, net als zijn gesneefde collega Thom de Graaf, tot de conclusie gekomen dat ons bestel niet tot betrokkenheid uitnodigt. Het moet toch wel iets zeggen dat er in de afgelopen drie weken in dit land meer over Europa is gepraat dan in de voorafgaande vijftig jaar.

Hoewel Brinkhorst en Van Thijn zich bij het scheiden van de markt lijken te ontpoppen als regenten, hoeft dat niet zo te zijn. Ook mogelijk is dat zij zich gedragen als de brave graven en baronnen in Tsjechovs Kersentuin, afgesneden van de buitenwereld, zich niet bewust van de veranderingen die zich om hen heen voordoen. Dat zou verklaren waarom zij zonder enige gêne, laat staan publieke verantwoording tegenover hun tijdgenoten, aan politieke zelfverloochening doen. Misschien dat het D66-congres, vandaag bijeen in Nijkerk, Brinkhorst op de een of andere manier uit de droom kan helpen. Een motie van wantrouwen is wel het minste.

Een wake-up call zou ook in die zin goed zijn, dat zij de minister duidelijk maakt dat hij helemaal niet aan zet is. Het referendum wordt gehouden op initiatief van de Tweede Kamer, die alvorens de Europese Grondwet goed te keuren, wil weten hoe de burgers daarover denken. Het zegt iets over de zwakke positie van ons parlement dat het zich in de campagne de kaas volledig van het brood laat eten door het kabinet. Niet de fractieleiders zetten de toon, hoe hard zij ook folderen, maar de ministers Balkenende, Donner, Zalm en Brinkhorst. Ze doen dat in een kanselstijl die niet meer van deze tijd is. Donner maakte zelfs een directe verwijzing naar het bisschoppelijk mandement uit 1954, toen hij verklaarde dat christen-democraten het aan de C verplicht zijn voor de Grondwet te stemmen. Zijn uitspraak kon met het mandement niet op één lijn worden gesteld, zei hij. Maar het was veelzeggend dat hij er zelf over begon.

In het mandement verboden de bisschoppen de katholieken socialistische kranten te lezen, naar de Vara te luisteren, of lid te zijn van de rode vakcentrale NVV of de PvdA. Het herderlijke stuk was een krampachtige poging de katholieke zuil overeind te houden. De pogingen van Brinkhorst, Van Thijn en Donner om de tijdgeest tegen te houden zijn daarmee vergelijkbaar. De toenmalige PvdA-leider Jaap Burger sprak naar aanleiding van het mandement woorden die hen tot nadenken zouden moeten stemmen. Deze katholieke beslissing, zei Burger, zal gevoelens van verwijdering, onbehagen en verzet tot gevolg hebben bij het niet-katholieke deel van de bevolking. Hij vergiste zich slechts in die zin, dat deze gevoelens ook, zij het met een vertraging van tien jaar, onder de katholieken zelf opkwamen. In de jaren zestig werd de machtige Katholieke Volkspartij gehalveerd.

De dingen gaan nu sneller en de politici die de burgers nu met hel en verdoemenis dreigen als zij bij het referendum geen 'ja' zeggen, moeten niet gek opkijken dat hun woorden op 1 juni een averechts effect zullen hebben.

mailIcon print |