*

 

Het muurleeuwenbekje zaait zichzelf door de

Henk van Halm − 05/04/05, 00:00

bloemstelen na bestuiving naar holten in de muur te buigen, waar het zaad rijpt en ontkiemt. Op vlakke grond kruipen de lange dunne stengels, maar het meest groeit muurleeuwenbekje op oude muren, die gevoegd zijn met kalkmortel. Het kan veel droogte verdragen en wortelt in het beetje aarde dat zich verzameld heeft in barsten in de voegen. Je vindt het in de stad aan de voet van huismuren en in koekoeken van souterrains, op rivieroevers en de IJsselmeerdijken tussen de bazaltblokken.

Het blad lijkt op dat van klimop, maar is zacht en sappig, aan de onderkant vaak een paarsig getint.

Het muurleeuwenbekje is als rotsplantje populair geweest. Het is al in de zeventiende eeuw als sierplant ingevoerd uit het Middellandse-Zeegebied. Wild groeit het in gebergten: in de Balkan, de Apennijnen en de zuidelijke Alpen.

Het muurleeuwenbekje bloeit van begin april tot in de winter. De langgesteelde leeuwenbekjes zijn lila of violet, donkerder op de twee bovenste kroonbladen, geel op het verhemelte. Nectar wordt afgescheiden aan de basis van het vruchtbeginsel en opgeslagen in de korte, bleke, gebogen spoor. De bloemen zijn aangepast aan het bezoek van bijen, die sterk genoeg zijn om de onderlip naar beneden te duwen.

mailIcon print |